HET AANGEZICHT VAN MOSKOU.
en erkenning, te vinden, vindt men hier vrijwel zonder overgangsvorm, zonder eenigen geestelijken strijd, kant en klaar den verst-gevorderden bouwstijl van het Westen van Europa geënt op sterk-Oosterschen bodem, waar het gevoels-, het mystiek element zoo tastbaar sterk is ontwikkeld. Een experiment van ontzaglijken durf en onberekenbare consequentie. Het beteekent onvoorwaardelijk een geestelijke richting op het Westen, waarvan men in het oude Rusland eigenlijk nooit iets heeft willen weten. Want deze nieuwe gebouwen zijn niet maar zinledig product van uiterlijk toeval, maar een welbewuste uiting van een sterk doorgevoerd rationalisme of materialisme, dat de leiders van het tegenwoordig Rusland bij a 1 hun handelingen drijft. Zij zijn niet anders dan een merkwaardige manifestatie van het gulzig binnenhalen van de Westersche techniek, waarop men in Rusland, niet alleen op dit terrein, doch allerwegen stuit, en waarvoor alle andere overwegingen zoo noodig met dwang moeten wijken. Als zoodanig zijn zij mede een rechtstreeksche aantasting van het religieus gevoel en van de kerk.
Men ontkomt niet aan de vraag, of het volk dezen geestelijken omzwaai zal medemaken, dan wel zich op den duur zal verzetten. Het bloote feit, dat tijdens den burgeroorlog geen kerk moedwillig is geschonden, en dat van geen enkele kerk een kruis is afgeslagen, zou er op kunnen duiden, dat er bij het volk zelf van geen geestelijken beeldenstorm sprake is geweest, dat het althans geen sterke anti-religieuze gevoelens koesterde. Wereldlijke en kerkelijke macht waren in het Rusland van den tsaar zóó sterk met elkaar verbonden, — waarvan het Kreml het duidelijk-sprekend bewijs vormt, — dat als deze gevoelens sterk in het volk hadden geleefd, een aanval op de kerken zelf moeilijk kon zijn uitgebleven.
Zeker is, dat de bevriezende stugheid van de eenvormige en eentonige rechtlijnigheid den licht-aansprekenden gevoelens der oude generaties niets heeft te vertellen. Het belangrijkste is echter, hoe de nieuwe generaties zullen reageeren, of dezen zich al dan niet achter haar mentors zullen scharen. Niet te ontkennen valt, dat èn door de revolutie, èn door de consequente geestelijke drijfkracht der leiders ook in de psyche van het volk een belangrijke verandering is ingetreden. Onder de jeugd werpt men op het oogenblik inderdaad tengevolge van allerlei invloeden, met oude gewoonten en gebruiken ook den godsdienst overboord. Of dit van blijvenden aard zal zijn? Het valt moeilijk te zeggen. Maar men zou niet verwonderd behoeven te zijn, als de mystieke zin van den Rus, bevrijd van druk weer aan zichzelf overgelaten, op een gegeven oogenblik weder doorbrak.
In ieder geval is ook voor de jeugd van den gloed van zijn kerken tot de onaandoenlijke strengheid van het tegenwoordig bouwkundig rationalisme, waarin men het veredelende en beslissende gevoels-element mist, een geweldige sprong. En men heeft ons verzekerd, dat tegen het laatste al nieuwe stroomin-gen opkomen.
* *
Het moge in het midden blijven, of Moskou innerlijk nóg het aangezicht naar het Oosten heeft gericht.
Maar het is wel nog de stad der kerken.
De jeugd moge zich blijvend van den godsdienst afwenden of niet, de regeering moge het werk van de slooping van het oude Moskou voortzetten en het overdekken met hard beton en glas, — de koepels der kerken en kapellen zullen daarboven toch als even zoovele heerlijke wonderen van Oosterschen vorm en kleur blijven uittronen. Al zullen zij ook een anachronisme vormen in het geestelijk toekomstbeeld, waarvan de leiders der bolsjewisten thans droomen.
108