gesnotter toch wakker gemaakt.
Met een dromerige, wat peinzende uitdrukking op z'n gezicht keek hij haar aan. 'Heb je me net iets verteld?' vroeg hij haar.
Selma, geruststellend naar hem glimlachend, kwam naast hem staan en schudde haar hoofd: 'Nee hoor.'
'Oh, misschien was ik het dan zelf wel die sprak.' Daarop deed Bram z'n oogleden weer toe en mompelde: 'Modulo twaalf en het ritme der restanten. Zeg het Goldreich. Moeder, ben je er nog?'
'Natuurlijk schat.' Ze zag hoe onrustig zijn hand over het beddenlaken schoof. 'Ik ben bij je Bram.'
Met dichte ogen sprak hij enkele onsamenhangende zinnen, maar ineens klonk hij resoluut en helder: 'Moeder, je hebt binnenkort groot werk te doen, je moet met de formule naar de Mossad en je moet voorbereidingen treffen voor onze aliyah.' Selma keek hem vragend aan, ze wist volstrekt niet waar hij het over had en suste hem: 'Alles komt in orde, jongen, blijf nu maar rustig.' Hij sluimerde weer in maar niet voor lang. Een minuut of wat later stonden zijn ogen alweer wijdopen en prikte hij met zijn vinger op het laken: 'Ad loca, ad loca!' Teder streek Selma over z'n voorhoofd: 'Ssst, kalm nu maar, probeer weer te slapen.' Maar zijn zwarte ogen keken haar klaarwakker en gespannen aan: 'Heb je het genoteerd? We moeten die stukjes grond in Israël kopen om daar ons bestaan op te bouwen,' zei hij, terwijl hij met z'n vinger alsmaar op het laken prikte. Toen Selma knikte en beloofde 'ik zal het opschrijven' ontspande hij en parelde er een glimlachje om zijn trieste mond. 'Hier in dit bed ligt de hoop van miljoenen,' zei hij op fluistertoon, 'dat mogen we nimmer vergeten.'
182