Selma kuste hem op z'n voorhoofd: 'Ga nu maar slapen lieverd.'
Vanonder zijn zware oogleden zag hij haar aan en voelde een groot verdriet opkomen. 'Moeder,' fluisterde hij. Selma boog zich over hem heen en sprak tegen hem, maar hij kon haar niet horen. Ze klonk zo ver weg, alsof ze zich al aan de aan de overzijde bevond van zijn leven. Hij voelde zich bang en verlaten en opende zijn mond om haar te roepen, maar het geluid smoorde in z'n keel. Angstig bewoog hij de handen over het dek van zijn bed, om hem heen doofde het licht. De poppenvoorstelling begon. Hij was weer een klein jongentje en zat samen met zijn vader in de donkere zaal waar hij, bang door de spanning en de verheffende stemmen van de poppen, naar vaders hand, naast hem, tastte. Daar voelde hij hem, de warme, veilige hand omsloot de zijne en stelde hem gerust. Alle vrees gleed van hem af en vervloog. Een zwak licht brak het duister, vader en hij stonden op en liepen samen hand in hand de voorstellingsruimte uit. Bij de uitgang draaide hij nog eenmaal zijn hoofd naar opzij, naar zijn moeder. 'Dag lieve moeder, huil maar niet. Non omnis moriar, niet alles van mij zal sterven...' Ergens, heel ver weg hoorde hij haar nog zijn naam roepen, maar hij kon haar niet meer antwoorden, zijn stem was al gestorven. Terwijl de monitor een harde, eentonige piep liet horen en er bij Selma van alle kanten voetstappen kwamen aangerend, volgde Bram zijn vader.
183