'Ssst,' zei Selma, 'praat maar niet lieverd, je moet rustig blijven liggen.' Met haar handen op zijn schouders duwde ze hem zachtjes terug in de kussens.
'Liggen vermoeit de longen,' protesteerde Bram met zwak stemgeluid, 'straks is het nog een longontsteking die me ten grave sleept.'
Selma lachte door haar tranen heen, goddank, dit klonk weer als haar zoon. Een verpleegkundige van de centrale post, waar de monitoren van de hartbe-waking werden bewaakt, een korte, gezette brunette op witte klompschoenen, kwam ruw tussenbeide en keek met gefronst voorhoofd en een kwaaiige blik van Bram naar Selma. 'Uw zoon moet absolute rust houden,' sprak ze Selma verwijtend toe. Bram zag haar vanonder zijn half geloken oogleden aan: 'Maak me liever weer gezond in plaats van zo te kijven, zuster,' zei hij de verpleegster die naast zijn bed het infuus-zakje controleerde.
'We gaan ons best doen, meneer Bloch, maar dat kan echt alleen als u heel rustig blijft liggen.'
'We?' mompelde Bram zachtjes, 'we kunnen toch onmogelijk allemaal weten wat er zich onder onze huid afspeelt. Ik mag hopen dat de we die hier rondlopen dienaangaande verstand van zaken hebben.' Daarop zakte hij weer weg. De zuster vertelde Selma niet op dit soort onsamenhangende praat te letten, het was een gevolg van de versufte toestand waarin hij gehouden werd, legde ze uit. Leunend tegen het voeteneinde van Brams bed en de armen voor haar boezem gevouwen, zei ze voorts dat het voor beiden, moeder en zoon, beter was dat Selma niet alsmaar naast Bram bleef zitten. 'Waarom gaat u niet een poosje naar het restaurant beneden om wat te eten en te drinken en
177