zoon, onbeweeglijk en bewusteloos. Doodsbang liep ze op hem af, knielde naast hem neer en zag meteen dat er iets heel ergs met hem was. Behoedzaam nam ze zijn hoofd in haar handen en riep zachtjes zijn naam: 'Bram? Bram, hoor je me?' Smekend keek ze naar z'n gesloten ogen en streelde z'n doodsbleke wang. 'Toe, lieverd, zeg wat.' Maar zijn bloedeloze lippen bewogen niet. Hulpeloos zag ze om zich heen en ontdekte de hoorn van de telefoon, die aan het snoer langs de tafel bungelde. Ze greep hem, drukte hem tegen haar oor en hoorde allemaal stemmen in het iwriet door elkaar heen schreeuwen. 'Jona? Jona, ben jij daar?' riep ze in de hoorn.
'Selma, ja. Ik moet hier nu weg, ik mag hier niet blijven staan. Je hoort het vreselijke nieuws wel van Bram. Ik bel je later!'
'Nee, Jona, wacht!' Maar de verbinding was al verbroken. Ze liet de telefoon zakken en keek naar Brams levensloze gezicht voor haar op de grond. Jammerend krabbelde ze overeind en draaide het alarmnummer 112.
172