luid uit te komen.
'Is het daar bij jou, in Herzlya gebeurd?' riep Bram van de weeromstuit hard terug.
'Wacht, ik ga verderop staan...' Bram hoorde Jona hollen en wachtte met de telefoon tegen z'n oor tot zijn oom het gesprek weer zou hervatten terwijl hij ondertussen met zijn vrije hand een drukkende, opkomende pijn achter z'n borstbeen poogde weg te wrijven.
'Bram, ben je er nog?' vroeg zijn oom meteen toen hij stilstond en was met het sirenelawaai op afstand, nu beter te verstaan.
'Ja en ik hoor je goed.'
'De aanslag is in Haifa,' vertelde z'n oom. 'Ik moest hier vandaag zijn voor een zakelijke bespreking. Voor ik terug naar huis zou gaan, wou ik hier eerst nog wat eten. Ik was het restaurant al ingegaan, maar omdat ik onder het eten graag een krantje lees, liep ik weer naar buiten naar de boekwinkel een paar meter verderop. Die gewoonte heeft m'n leven gered, Bram, want ik was daar nog niet binnen of er klonk een oorverdovende explosie. Ik dook naar de grond, eerst bleef het ijzingwekkend stil, toen barstte een afgrijselijk gegil en gehuil los. Ik rende naar buiten en,' Jona begon opnieuw te huilen. 'Wat ik zag tussen het puin van het restaurant...' Bram luisterde, de ogen gesloten. 'Allemaal verminkte mensen, Bram. Mensen zonder armen, benen, half levend of al dood en overal hing die doordringende geur van verbrand vlees, een lucht die ik nooit meer vergeet. Ergens daartussen stond een hevig bloedende moeder met wat restte van haar baby nog op haar arm. Ze krijste het uit.'
Bram was neergezakt op de stoel naast de telefoon en voelde de pijn in zijn borst verhevigen, het klamme zweet brak hem uit en hij had moeite de telefoon in z'n
170