hij toch maar wat hem mankeerde, dit had niets meer met zijn harde werken maken. Hij moest iets fouts gegeten hebben. De viskoekjes van gisteravond, bij de gedachte alleen al moest hij bijna kokhalzen, die waren zeker bedorven geweest.
Eindelijk bereikte hij de overloop. Voor de deur, zoekend in zijn broekzak naar de huissleutel, hoorde hij hoe binnen hun telefoon ging en maar bleef doorrinkelen. Dit betekende dat moeder er nóg niet was. Nerveus zocht Bram in de andere zak en vond daar de sleutel. Hij ontsloot de deur en holde naar de rinkelende telefoon in de woonkamer, maar was net te laat. De telefoon hield stil. Inwit en doodsbenauwd stond hij naar het toestel te kijken en zei zichzelf dat er niets met moeder was, dat het vast en zeker Frieda Hirsch-feldt was die had gebeld. Toen de telefoon opnieuw begon te rinkelen schrok Bram zich lam. Met trillende hand nam hij de hoorn van de haak. 'Bloch,' sprak hij amper hoorbaar in de telefoon.
'Sel, ben jij dat?'
Bram slaakte een zucht van verlichting, het was oom Jona, uit Israël. 'Nee, ma is er niet,' zei hij direct, 'ze kan elk moment thuiskomen. Ik zal haar wel zeggen dat...' Hij maakte z'n zin niet af omdat hij bij zijn oom op de achtergrond een waanzinnig geschreeuw en gehuil hoorde. 'Wat is daar aan de hand?'
'Een aanslag, er is hier godverdomme een zelfmoordaanslag gebeurd!' Z'n oom begon te huilen: 'Overal bloed en overal...' Gillende sirenes maakten de rest van zijn zin onverstaanbaar.
'Hoe ben jij eraan toe,' vroeg Bram angstig, 'ben je gewond?'
'Nee, ik ben ongedeerd, maar het is een wonder dat ik nog leef,' schreeuwde Jona om boven het sirenege
169