Hij stak over en liep verder langs de Amstel waar hij behoorlijk wat tegenwind ondervond. Boven zijn hoofd schreeuwde een meeuw, die steeg en daalde op de thermiek. Het snelle tempo waarin hij zo gewend was te lopen kostte hem steeds meer moeite vol te houden. Hij raakte buiten adem, iets dat hem anders nooit overkwam, en liep zo te transpireren dat zijn witte overhemd doornat was geworden. Toch nam hij geen gas terug, als hij nog even volheid was hij thuis. Toen hij de Sarphatistraat insloeg was aan de overkant zijn woning op de eerste verdieping al te zien. Van buiten af zag hun raam er zonder de begonia's akelig leeg en verlaten uit. 'Het lijkt wel of er niemand woont,' dacht hij. Merkwaardig genoeg zag hij zijn moeder ook niet één keer voor het raam verschijnen. Liep hij 's avonds na zijn wandeling op huis af, dan dook ze altijd wel even voor het venster op om naar hem uit te kijken. Maar hij veronderstelde dat ze na thuiskomst vanmiddag niet had gemerkt dat hij niet op zijn kamer zat, ze verwachtte natuurlijk nooit dat hij er op dit uur niet was. Bij zijn huis aangekomen had hij nauwelijks nog de kracht de zware buitendeur open te duwen en toen hij de schemerige benedenhal had betreden bleef hij volledig uitgeput tegen de dichte deur geleund staan uithijgen. Nog nooit had hij er zo tegenop gezien naar boven te moeten en die hoge, steile trappen te beklimmen. Integendeel, anders als hij thuiskwam zag hij het traplopen als een sport en veerde hij moeiteloos in gelijkmatige cadans met twee, drie treden tegelijk omhoog. Nu, door zijn misselijkheid en met benen als lood, begon hij zich tree voor tree moeizaam omhoog te slepen. Het was een inspanning die alle kracht van hem vergde en onderweg naar boven moest hij zelfs een paar maal blijven staan, zo duizelig werd hij. Wist
168