derbij. De jongens hadden hem nog niet gezien of de kring rondom Bram spleet uiteen en ze maakten alle vier dat ze wegkwamen. Bram was te zeer aangedaan om ook maar een stap te verzetten en toen de man met zijn vervaarlijk uitziende herder naast hem stond en hem vroeg of alles goed met hem was, duurde het even eer hij in de diepte z'n stem had teruggevonden. 'Ja, dank u,' sprak hij nauwelijks hoorbaar. 'Ik mag van geluk spreken dat u hier liep en me te hulp schoot.'
'Oh, ik ken dat tuig,' zei de man zelfverzekerd. 'Ze lopen hier dag en nacht de buurt te zieken en onveilig te maken. Af, Werner,' beval hij z'n herder die voortdurend jankend aan de lijn trok. 'Zit!!!' Toen weer tegen Bram: 'Ik kom ze hier wel vaker tegen. Lafaards zijn het, ze schijten al in d'r broek voor een hondje.'
'Gelukkig wel,' zei Bram. Na de man nogmaals bedankt te hebben, zette hij gehaast zijn weg voort naar huis en hield, op z'n hoede nu, het hoofd opgeheven zodat hij kon zien wat op hem afkwam. Onderweg moest hij de hele tijd aan die rotzakken denken en wierp geregeld een blik over zijn schouder. Hij verweet zich nu niet één van die jongens op z'n smoel geslagen te hebben en voelde zich daar ellendig over. Hij was bijna een kop groter geweest. Puberale jongens van hooguit een jaar of zestien, schatte hij ze. Als je ze van een afstand zou zien leken het gewone jongens, maar in werkelijkheid was het agressief tuig. Wat als hij wél had uitgehaald, of als die man met z'n hond er niet geweest was, dan had hij vast niet als nu ongedeerd op weg naar huis kunnen gaan. 'Amsterdam is een weerzinwekkende, verziekte stad geworden,' dacht hij. 'Goddank hoeven we hier niet lang meer te zijn en wonen we over een paar maanden voorgoed bevrijd van dit antisemitische schorem in Israël.'
167