deze man een formule gevonden heeft waarmee hij de macht bezit vrede te scheppen in het Midden-Oos-ten en Israël naar een veilige toekomst kan sturen.' De ober bracht hem zijn mineraalwater en tussen de slokjes door blikte Bram glunderend naar de mensen die in zijn buurt zaten. Maar omdat die zich door hem bekeken voelden wierpen ze hem kwade blikken toe. Bram wendde daarop inwendig gniffelend z'n hoofd af naar het raam. Ze zagen hem natuurlijk aan voor één of andere simpele sterveling, een schlemiel die niks beter te doen had dan achter een glaasje citroenwater z'n tijd te verprutsen met wat rondkijken. 'Ha, ha,' hij schudde zijn hoofd, 'geen notie hadden ze waar hij echt mee bezig was.'
'Vindt u het een bezwaar als ik bij u aan tafel schuif?' klonk plotseling een stem aan zijn tafel. Verrast, omdat hij niemand had zien aankomen, keek Bram op en zag een flinke vrouw van een jaar of vijftig. Ze was gehuld in een lang, zwart gewaad en haar ronde, blozende gezicht werd omsloten door een nonnenkap. 'U bent de enige die nog een vrij plekje aan z'n tafel heeft, dus mag ik?' vroeg ze. Haar glas met ijsthee had ze al op zijn tafel gezet en zonder Brams antwoord af te wachten schoof ze op de lege stoel tegenover hem. Met gefronst voorhoofd nam hij haar op en vroeg: 'Zat u daarnet niet buiten?'
'Ja, maar pfff,' pufte ze, "t werd me daar echt te warm.'
Zo even, in het voorbijgaan op het terras, was hem dat zwarte gewaad al opgevallen en hij had er zich al over verbaasd dat een moslima onder de wapperende Israëlische vlag zo rustig een drankje zat te drinken. Maar nu hij haar oer-Hollandse, blozende gezicht zag, waarvan de onderkin rustte op een kraakwit boordje
160