pen, het ene losse uiteinde een halve slag te draaien, en dat weer aan het andere uiteinde te plakken. Uriel was zeker dat hij en Bram respectievelijk via de achterkant en voorkant van dat lint langs elkaar gelopen waren maar, aangezien een Möbius-lint zoals bekend, slechts één oppervlakte bezit, hadden ze elkaar uiteindelijk toch teruggevonden.
Een riedeltje van een mobiele telefoon achter hem stoorde Brams gedachtengang en hij keek geërgerd om. Weer iemand die zat te bellen, dat was enige minpunt hier, vond hij, de vreemde gewoonte van al die joodse bezoekers om hier continu met elders te telefoneren. Overal om hem heen zaten mensen met telefoontjes aan hun oor en om de haverklap klonk wel één of andere maffe jingle van zo'n mobiel apparaat. Alleen aan het tafeltje naast hem was het bij uitzondering rustig. Gebogen over hun bord zaten daar twee mannen, getooid met zwarte keppeltjes, zwijgend hun shoarma met humus te eten. Bram moest niet aan eten denken en draaide met een vies gezicht zijn hoofd af. Onderweg naar hier was dat weeë, misselijke gevoel in z'n maag niets minder geworden en toen de ober hem de menukaart kwam aanreiken maakte hij een afwerend gebaar en bestelde enkel mineraalwater. In afwachting van zijn bestelling zag hij hoe een man voorin het restaurant, aan de bar, zijn rekening betaalde met een pinpas en moest daardoor onmiddellijk weer aan zijn weergaloze vondst denken. Het idee dat hij, Abraham Bloch, de RSA formule bezat waarmee hij, als hij zou willen, 's mans pincode kon kraken en vervolgens diens bankrekening kon leeghalen, bezorgde hem een onwerkelijk maar tegelijk ook een machtig gevoel. 'Of,' dacht hij, 'wat als ik nu zou opstaan, en uit volle borst door de zaak zou roepen dat
159