rend uit hun autoraampje en dachten kennelijk met gevloek en woeste gebaren de stilstaande file voor hun in beweging te krijgen. Bij de aanblik van deze misdragingen en ergernissen, een tafereel dat vandaag de dag hoogtij vierde op de Nederlandse wegen, besefte Bram weer eens te meer hoeveel ellende hem dankzij zijn autoloze bestaan bespaard bleef. Zonder een rijbewijs had hij zelfs nog nimmer achter het stuur van een auto gezeten en hij had dat ook nooit als een gemis ervaren. Hij bleef liever gezond en legde daarom zijn weg te voet af of pakte desnoods de tram. Terwijl de automobilist nog maar moest zien hoe en wanneer op z'n plaats van bestemming te komen, bereikte hij die fluitend en zonder oponthoud immer op tijd. Met leedvermaak zag hij hoe de mensen in de file naast hem geen centimeter vooruitkwamen, terwijl hij met iedere voetstap die hij zette, de Portugese synagoge aan het Waterlooplein steeds dichter naderde. Even later daar aangekomen, kon hij de Israëlische vlag aan de pui van het restaurant Tel-Aviv al zien wapperen. Zijn eindpunt was hooguit een kleine honderd meter van hem vandaan en hij koerste er linea recta op af. Aangekomen bij het restaurant, waar op het terras de meeste tafeltjes onder de blauwwitte parasols bezet waren, liep hij rechtstreeks door naar binnen en werd daar door de weldadige verkoeling van de airco verwelkomd. Hij zag dat meerdere gasten doorhadden dat het binnen goed toeven was, want ook hier was praktisch elk plekje bezet.
Hij stond voorin de zaak rond te kijken of hij ergens een vrije tafel zag, toen een ober naast hem verscheen. 'Sjalom meneer, met hoeveel bent u?' Bram keek de ober, een slungelachtige, bleke jongeling met rossig haar waarop een blauw keppeltje scheef hing,
156