Piekerend over waar ze toch bleef begon hij z'n weg. De meest voor de hand liggende verklaring, bedacht hij, was dat die bemoeial van een Bonny zich had opgedrongen met haar mee naar de dokter te gaan en haar na afloop weer had meegetroond naar huize Co-hen. Bij de hoek van de Sarphatistraat en de Wibauts-traat keek hij voor alle zekerheid toch nog een keer om of hij haar zojuist niet gemist had en nu toch op huis zag afgaan. Een klein, joods uitziend vrouwtje met net zulke zwarte haren als zijn moeder deed hem even opzien, maar toen ze iemand anders bleek te zijn sloeg hij linksaf de Wibautstraat in en zette met lichtgebogen tred zijn wandeling voort. Hij hoopte maar dat ma de vervangende dokter had weten te overtuigen dat ze hulp en dus een verwijzing naar het Joods Maatschappelijk Werk nodig had. Haar vermoeide uiterlijk was hem de laatste tijd niet ontgaan en onder het werk op z'n kamer had hij meer dan eens gemeend haar te horen huilen. Maar omdat ma met haar talent voor somberen altijd wel iets dwars zat, had hij daar niets verontrustends achter gezocht. Toch was er nu wel degelijk iets mis met haar, zo overstuur als hij haar vanochtend in haar kamer had aangetroffen was niet zomaar een huilbuitje geweest en dat ze nauwelijks aan slapen toekwam sinds vaders dood, was zelfs heel ernstig te noemen. Als ze niet snel geholpen werd, vreesde hij haar totale instorting en konden ze hun toekomst in Israël voorlopig wel vergeten. Ze moest afleiding hebben, geestelijke afleiding dan wel te verstaan. Hij wist zeker dat wanneer de therapeuten van het JMW haar intellectueel denkwerk omhanden gaven, zodat ze zou worden afgeleid van nodeloze kwellingen en zorgen, dat ze dan binnen de kortste keren weer zou slapen als een roos. Tot ze bij het JMW terecht
154