beurt akelig dicht bij hem staan. 'Een zwangerschap,' begon hij, 'van hooguit enkele weken, dat niet meer is dan een waterig balletje van zo'n honderd cellen, verdient dit volgens u als wetenschapper bescherming als een mens of niet?'
'Hè, toe nou Geert,' zei Lia met een temerig stemmetje, 'we hadden toch afgesproken er niet met anderen over te praten?'
'Ik stel hier toch alleen maar een wetenschappelijk vraag aan m'n hooggeleerde buurman, mag dat niet soms?' verweerde Geert zich.
'Voor foetussen moetje bij een bioloog zijn, niet bij mij,' antwoordde Bram kortaf. 'Ik moet nu echt gaan.' Met een flinke stap voorwaarts lukte het hem zich langs het stel heen te werken en hij spoedde zich de trap af. Voor hij de volgende trap nam naar omlaag keek hij om of ze hem niet achterna kwamen, maar ze waren al verdwenen en hij hoorde ze druk kibbelend verder naar boven gaan. In rustig tempo nu daalde hij de trap af naar de begane grond en kon er maar niet over uit dat zo'n bekoorlijk meisje als zijn Lia zich vermenigvuldigde met een dikke botterik als Geert. Al die avonden dat hij op zijn kamer door het plafond van boven gekraak en gesteun had gehoord, was hij dus stille getuige geweest van het fokken van een epsilon. Hij mocht hopen dat hij en z'n moeder hier vertrokken waren voor het geboren werd, anders zaten ze straks opgescheept met zowel onder als boven krijsende jong en halve gare ouders. 'Wat een misère,' kreunde hij en trok de zware buitendeur open.
152