strakte zijn gezicht en de afkeurende frons, die tussen z'n wenkbrauwen verscheen, werd al verder bladerend steeds dieper. Waar had ie in godsnaam met z'n gedachten gezeten toen hij dit schreef? De Engelse tekst wemelde van de stijlfouten en mank gaande zinnen. Dit alles te moeten corrigeren betekende dat hij zo goed als opnieuw kon beginnen en de brief van voren af aan volledige herschrijven moest. Verslagen legde hij het stapeltje A-viertjes op zijn bureau en streek met een vermoeide beweging over zijn bezwete voorhoofd. Waarom zat hem nu opeens weer alles tegen? Hij schudde het hoofd: 'Het ongeluk heeft vreemde omwegen,' verzuchtte hij, waarna hij oprees uit zijn stoel en verloren naar het donkere computerscherm, waarachter zijn formule schitterde, bleef staan kijken. Hij moest iets ondernemen om zich beter te gaan voelen, besloot hij. Misschien moest hij eruit, zou wat lichaamsbeweging in de buitenlucht hem nu goed doen.
Bram wilde z'n sokken en schoenen al gaan aantrekken toen hij zich plots bedacht dat het wel eens veel te warm kon zijn om erop uit te gaan. Hij liep naar het raam, schoof het dichte gordijn een ietsje opzij en loerde eerst naar omlaag of die lui van beneden er nog stonden. Geen mens te zien, de kust was veilig en met een gerust hart trok hij de gordijnen helemaal open en helde z'n bovenlichaam door het open raam naar buiten. De warmte viel hem reuze mee, hij voelde zelfs een vleugje wind en omhoogkijkend zag hij een lichte sluierbewolking die voorkwam dat het ook lang niet zo zonnig was als voorspeld. D'r was geen enkel beletsel zijn dagelijkse avondwandeling naar nu te verzetten. Wel, wel, dacht hij, in de middag de straat op, het was iets dat hij in geen maanden had meegemaakt en ter
150