//
Tegen half drie die middag stond Bram met nog natte, achterovergekamde haren van het douchen en gekleed in zwarte broek en een schoon wit overhemd op blote voeten voor zijn slaapkamerraam. Hij friemelde wat aan de haartjes van zijn baard en voelde zich, als altijd vlak voordat hij een lezing begon, licht gespannen. Waar beneden hem tuinen waren en hij vanachter z'n raam uitzicht had op de daken van de huizenrij verderop, zag hij in gedachten een zaal nokvol aandachtige luisteraars. Hij schraapte zijn keel, rechtte zijn rug en opende, zoals hij z'n voordrachten altijd begon, met: 'Welkom, geachte aanwezigen,' waarna hij zijn denkbeeldige zaal links en rechts rondkeek en vervolgde: 'Het verheugt mij dat u in zulke grote getale bent komen toestromen om mijn uiteenzetting te beluisteren over de totstandkoming van de meest briljante wiskundige formule aller tijden.' Hier hield hij stil. Deze openingswoorden had hij, vol van zijn formule, zo even onder de douche al staan voordragen en had zich hierna razendsnel afgedroogd en aangekleed in de overtuiging dat, eenmaal staande voor de zaal, het vervolg vanzelf op gang komen zou. Maar hij realiseerde zich nu niet enkel voor vakgenoten te staan, er zaten ook ondeskundige toehoorders zoals moeder en andere bekenden van de joodse gemeenschap, in de zaal. Nadenkend wreef hij even over zijn voorhoofd, toen kuchte hij in z'n hand,
141