niet. Er is zoveel...' Omdat de dokter niet reageerde en haar luisterend bleef aankijken, besloot ze maar meteen het JMW ter sprake te brengen. 'Het is door mijn zoon Bram dat ik hier nu zit, ziet u. Hij vindt dat ik voor mijn problemen bij het Joods Maatschappelijk Werk moet aankloppen. U kent het JMW misschien wel niet, of...?'
'Uw zoon Bram, zei u?' vroeg Laura verrast. 'Dat is toch niet de Bram Bloch, of liever de wiskundige doctor Abraham Bloch, die aan de universiteit van Amsterdam werkt?'
Stomverbaasd, met grote ogen keek Selma haar aan: 'U kent mijn zoon? Waarvan dan?'
'Van vroeger, van de universiteit,' vertelde Laura met een omhoog gaand stemmetje. 'Ik vroeg me al af of u familie van hem was toen ik uw naam zag. Ik heb indertijd nog les gehad van uw zoon. Voor mijn medicijnenstudie had ik namelijk het onzalige idee wis- en natuurkunde te willen studeren en belandde aldus in de collegebanken bij uw zoon.' Gniffelend vervolgde ze: 'Zijn werkcolleges over de getallentheorie staan me nog helder voor de geest.' Ze haalde haar hand door haar kortgeknipte, asblonde haar en krulde haar lippen in een schalks lachje: 'U heeft een bijzonder knappe zoon, moet ik bekennen.'
Selma knikte afwezig. 'Op de lagere school heette hij al een rekenwonder.'
'Ik zie ons nog zitten,' keuvelde Laura vrolijk verder, 'vooraan in de collegebanken. Wij, de meiden uit het eerste jaar, volgden al zijn colleges hoewel we er niets van begrepen en zaten hem als verliefde bakvissen drie kwartier lang dwaas aan te gapen.'
Selma glimlachte flauwtjes. 'Oh, bedoelt u dat. Tsja,
122