10
In de wachtkamer van dokter de Beer, gesitueerd in het souterrein van een oud Amsterdams grachtenpand, was Selma de enig overgebleven patiënt. Ze had geen idee waarom ze zolang moest wachten. De knul die door de dokter voor haar naar binnen geroepen was, terwijl zij hier nota bene veel eerder, lang voor enen al zat, had al na vijf minuten met een recept in z'n hand weer buiten gestaan. Ze was toen op het randje van haar stoel geschoven in de overtuiging direct naar binnen geroepen te worden, maar dat was onderhand een kwartier geleden. Doodzenuwachtig werd ze van dat wachten. Met klamme handen om haar blauwe tasje op haar schoot geklemd hield ze onafgebroken de dichte spreekkamerdeur naast haar in de gaten. Wat die dokter daar zonder patiënt op haar kamer allemaal zat te doen was Selma een raadsel. Zou ze wel weten dat ik er nog zit, schoot het door haar heen en besefte tegelijk dat dit wel eens het probleem kon zijn. Ja waarachtig, daarnet bij het naar binnenroepen van die jongen was de dokter in de deuropening van haar kamer blijven staan en had daardoor niet opgemerkt dat er achter de openstaande deur nog een patiënt verborgen ging, zij in dit geval. Zat ze hier dus hoogst waarschijnlijk al die tijd al voor niks te wachten. Onrustig heen en weer
119