spraak met Theodor Herzl, de schepper van onze joodse staat, de grootste en meest vitale joodse persoonlijkheid in eeuwen.'
'Zo vitaal was hij anders niet,' smaalde Morgenstern, 'hij stierf al op 44 jarige leeftijd, net zo oud als jij nu. En als ik het wel heb was dat ook nog op deze dag, op 3 juli, maar dan in 1904.'
Bram hoorde hem niet, met zijn lange, rijzige gestalte torende hij ver boven de rebbe uit en tuurde over hem heen naar het opgaande pad dat in de verte overging in de azuurblauwe lucht. 'Herzl verwacht me daar boven met open armen," zei hij, "wetende dat ik hem groot nieuws breng. Als geen ander begrijpt hij het belang van mijn formule. Samen, zij aan zij, zullen wij vanaf zijn heuveltop uitzien over onze hoofdstad Jeroesjalaiem. En ik voorspel je dat...'
'Ach wat, jij altijd met jouw voorspellingen,' sprak Morgenstern laatdunkend. 'Vorig jaar vergeleek je jezelf nog met de profeet Amos en voorspelde je dat je vader bij de ingang op jullie wachten zou. Weetje nog? En toen stond hij er niet!' Hij schudde zijn hoofd: 'De talmoedische wijze Rabbi Johanan zei het al in zijn tractaat Bava Batve: Toen de Tempel in Jeruzalem was verwoest, werd het vermogen voorspellingen te maken weggenomen van de profeten en gegeven aan dwazen en kinderen. En zo is het.' Steunend op zijn stok slofte Morgenstern langs hem heen het pad af naar omlaag. Bram bleef de kromme gestalte van de oude rebbe sprakeloos nakijken tot hij uit het zicht was. Toen draaide hij zich om en zag aan het einde van zijn weg zijn vader staan en het leek, zo vanuit de verte, alsof hij daar zichzelf zag staan.
118