'Als Mozes die het beloofde land aanschouwt, zo voel ik me, het is allemaal zo overweldigend, zo...' Het begon te branden achter zijn ogen, hij legde zijn lange slanke vingers op zijn oogleden en masseerde zachtjes z'n tranen weg. Toen hij z'n handen weer liet zakken hield hij de ogen gesloten. Zijn lichaam voelde zwaar en z'n hoofd oh zo moe. Om voor even weg te kunnen zinken in de fluwelen duisternis van de slaap liet hij zich neer en nestelde zich op z'n zij. Al wegdoezelend zag hij zichzelf wandelen op de Herzl-heuvel in Jeruzalem. In een lauwwarme bries en in de volle zon volgde hij een licht hellend pad dat, slingerend door een woud van groene heesters en hoge naaldbomen voerde naar de heuveltop. Met z'n hoofd in de wolken stapte hij voort, ondertussen een vrolijk deuntje fluitend. Maar even voorbij een flauwe bocht hield hij z'n adem in en bleef verschrikt staan. Voor hem stond, leunend op z'n wandelstok, rabbijn Morgenstern, de oude, kromgebogen rebbe, die vroeger bij hun thuiskwam en al meer dan een kwart eeuw dood was. Bram zag hoe de wind speelde door zijn vlassige, krijtwitte, lange haar en zijn al even witte, lange snorrenbaard deed opwaaien. Hij zag hoe zijn dikke lippen als twee bloedrode runderworstjes tussen de witte snorharen uitstaken en herinnerde zich dat hij vroeger als kind daar ook altijd naar kijken moest. 'Waarheen gaat jouw reis, Abraham?' vroeg de rebbe hem met krassend stemgeluid.
'Naar boven natuurlijk,' antwoordde Bram, 'waar anders heen?'
'Wat moet je daar? Op de top bevinden zich alleen maar graven.'
'Alleen maar graven? Daar liggen onze Israëlische helden: Rabin, Jabotinsky, Golda Meïr, noem maar op,' zei Bram verontwaardigd. 'Ik heb boven een af
117