Kamertjeszonde

Auteur
Herman Heijermans

Geschreven onder pseudoniem
Koos Habbema

Titel
Kamertjeszonde

Jaar
1898

Druk
1899

Overig
2ed

Pagina's
439



414

interessant om te vrage om geld voor ?n oud manteltje, da’k ?r vergete heb terug te geve.”

„En nou ga ’k weg jonges.”

„Hè, blijf u nou nog wat, oome !”

„Nee, ’k moet weg. Volgende week kom ik weer is terug, hoor.” „Krijg ik nou geen zoen ? — U zoent me nooit meer, oome! U zoent mamma altijd en mijn nooit, mijn nooit.. .

„Ben je jaloersch m’n goddelijk kind, m'n schat.”

O wat hield ik van haar, van dat goudkopje, van dat    móóie

blonde kind, van haar kind, van die helle, limpiede, groote oogen. En hoe zijn ze me gróót, hel, smartlijk bijgebleven.

Scherp lag gekleed te bed, stil —■ lustloos. Ook een zieke. „Scheelt ’r wat an ?”

„Ben jij ’t ? ’k Ben blij dat je komt, ik ben zoo belabberd.” „Overwerk je je niet ?”

„Nee. Ach nee ... Ik ben belabberd ... Trees maakt me    ziek .    .    .

Trees... O, wat maakt die me kapot...”

Ik zweeg — zelf dowa, zwak van wil.

„ ... Ze is weggeloope van Druif, weg met ’n vent van Carré — weg met ’n jockey — wèg — weg —”

De stilte bleef meespreken in ’t kamertje.

„ ... Ik was nog zoo gelukkig — zoo gelukkig, dat ze met Druif was, dat ze ’t goéd, dat —■ ze wéélde had — Zoo blij als ’k bij haar was, haar wat voor kon lezen — Weet je dat zij me sterk maakte — stérk voor mijn werk — stérk bij de dood van m’n moeder — stérk in alles, in m’n leven, m’n denken .. . Nou leg ik leeg zoo alléén, zoo alléén op m’n bed, in m’n bedstee. —Ze is weg — wèg met ’n jockey met mooie zeemleeren beenen — wèg — wèg — ’k Geloof als jij daar niet was gekomen da’k rustig had kunnen kapot gaan — zoo leèg als ’t om me heen is ...” Ik zat in den armstoel, het hoofd weggezakt.

„ ... Wat zijn we oud geworden,” zei hij weer. „Wat is illusie ’n ding als ’n traan... Wat ben jij oud geworden . . . Wat ben ik lèég... Ouwe jongen wat is ’r in ons veranderd van af die avond dat we in de Bar zaten, weet je nog... ?”

. „Ja, ik weet ’t nog...”, zei ik levenszat.

„ ... Toen was ik groen, jij ’n idealist... We slijten weg, als krijt in gore handen... We leeren te passsen in ’t leven... Herinner je je dié avond... hoe jij sprak van trouwen . . . met

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.