407
Leentje Plas : Goddoome wat sta jij de mense toch te belazere ! Ze heeft nóg niks anders gedaan dan kwaad van je spreke. Sorsien! :k Kan dat gemier goddoome niet ankijke!
Georgine : Wat voor kwaad?
Amélie: Ach, dat liegt ze.
Leentje Plas: ’k Geef je zóó ’n slag in je smoel as je ’t wéér zegt, gepoeierd schrijthuis!... ’k Zal je strakkies wel alles ver-telle Sorsien... Is me dat ’n flapdrol van ’n meid! Jij ben me ’n sekreet hoor ! Jassus !
De deur flapte dicht. Er was even stilte terwijl het water in de kan liep. Dan weer de stemmen:
Amélie: Mama hoe kan u dat ordinaire schepsel toch in
godsnaam ontvange. Geen woord heb ik in je nadeel gezegd, Georgien — geen woord.
Georgine: Of ’r wTat meer of wat minder over me gekletst wordt, daar geef ik niet dat om! Laat u wat worst en wat eiere hale, juffrouw Perron ? Haal u d’r maar zes en ’n stuk-kie kaas.
Yeuve Perron: Kan je me nog an ’n daalder hellepe, Georgine ?
Charles: Mama heeft de sleutel van d’r brandkast gisteravond bij Van Laar, nee ’t was bij Riche, verlore!
* Georgine: Hè wat ’n mop! Hahaha! ’k Zal even ’n daalder hale. Nee Amélie, ’k kan je nou niet hebbe. Strakkies. Dag!
Amélie : Dag! De complimenten !
Georgine : An wie ?
Amélie : An ... an . . . nou as je zeker iemand is tegenkomt. . .
Ik was opgestaan, keek door de tulle gordijnen naar de regenachtige straat, naar de stinkgracht, naar de waskaarsen-fabriek. Georgine lei de kachel aan. In melankolieke ziening der dingen, ’t voorhoofd tegen ’t gordijn, soesde ik lang. Roetachtig, log, vaal van vormen in de grauwe regenlucht, hijgde de platte fabriek haar traag-bruine walmen. De hooge pijp*schoorsteen braakte rookrige kwallen; uit een zijpijp met hortende rukken siste de stoomdamp. Over het opene veld lagen de glimmende tonnen, zwaar van natte vetbuiken, op de binnenplaats spatte het water uit klakkende goten. Het overhaal-pontje stroef aan den ketting bewoog. Alles was loom-van-triestigheid. Roetbonkingen dwaalden het dak om, tonnen buikten in plassen ... Nou had je ’n man op de plaats. . . Kijkt-ie is trappen in ’t wTater... — als-ie maar