401
was de heer. De betalende. Zij de mintienee. De heer kwam voor de bijslaap, ontbeet, ging schuw heen voor de buitenwereld (de heer z’n naam, de heer z’n stand, de heer z’n reputatie). De mintienee, die zoo gek was, verliefd op haar mijnheer te zijn, bracht dagen in trage verveling door, uitziend naar den avond. Het was maatschappelijk en règle. Bourgeoisie-gehoereer. Bourgeoisie-on-tucht. Een lichaam tegen betaling van kamerhuur, natje en droogje.
De avonden werden van angstig nachtuilen-beweeg. Buiten het zachte gefluit, de schaduw achter de tullen gordijnen, het trap-opsluipen, het fluisteren in de kamer. Als de alkoofdeuren dicht waren konden we schuchter spreken. In bed, tegen het beschot van de achterkamer, durfden we niet, dempten de stemmen onder de dekens, schrikte de donkerte der kamer van een niet ingehouden kusgeluid, van het gekraak van ’n bedveer. Het waren nachten van w^akker-liggen, beluistring der geluiden-buiten. Als een deur dichtsloeg schrikte Georgine, gespannen van luistring. Voetstappen op de eenzame kade deden ons liggen met in-houden van adem. Als we toch verrast werden ? Als de man er was? Wat dan? Wat dan? En in het nauwe, slechte, éénpersoonsbed verwoelden we de uren tot de morgen ’n loomen, doffen slaap gaf. Het maakte ons kapot. Zij zag er wit uit, met kringen van zwakte onder de oogen. Ik lag overdag in ’t kamertje van Scherp, moe, lustloos, óp, met groote wanhoop-van-leven.
Toen kwam dè dag, de dag dien ’k nooit vergeet.
’s Morgens half tien werd ’k wakker gemaakt door stemmen naast an.
Madame Veuve Perron was aan ’t praten met hare dochter Amélie, met haar zoon Charles. Kaatje en Toosje speelden inde gang. Ik hoorde ongeveer dit gesprek:
Veuve Perron: Kom binne!
Charles : Daaaag tabak-Amélie !
Amélie: Schei nou uit met je aardighede, snotneus! O mama ik voel me zoo beroerd.
Veuve Perron: Wat héb je dan?
Amélie: Wéér bloed opgegeve.
Charles: Jij zal te zwaar leven met je tabak.
Amélie: ... En zoo’n rötsmaak als ’k ’r van in me mond heb, mama... Zoo’n schrikkelijke rotsmaak.
26