400
turbulant grof lawaai. Dat verblufte Georgine, hield haar bezig. „Zit goddoome niet zoo labberkakkig te kijke, juffrouw!... Je mot je niks antrekke! Laat-ie maar komme an je kindere as-ie durft... ’k Giet ’m me pispot op z’n kop.”
Het was de oude, ruwe, eerlijke hoeren- en kabotijnstoon, dien Georgine vreemd vond nu ze kwam uit dat stille kamertje van Doedelaar, waar zij langzaam dat plompe spreken ontwend was.
Driehoog woonden onziehtbaren, ’n juffrouw die jaren in scheiding pro deo lag. ’t Duurde wat lang — God houdt van komieke advokatenzaakjes, pro Deo, pro Deo—; nu verhuurde zij kamers om niet te verhongeren. Ze had twee internen, ’n „zusterlid” van de eerzame Terp uit de Nes, waar vrouwen bordeelopleiding ontvangen, èn ’n ouwen man met waterbeenen, die de trappen niet meer af kon en z’n dood afwachtte, kijkend dag-aan-dag naar ’t gewalm van de waskaarsen-fabriek.
Het „huis” — een, twee, driehoog — was op de hand van Georgine. Er was eene vreemdsoortige, wel-aandoenlijke toenadering tusschen de uitgestootenen, band van haat tegenover de buitenwereld. Mij kenden ze niet. Om bij elkander te blijven — na het advies van den correcten advocaat, om te vechten voor de kinderen — deden wij vies-listig, als wijze, voorzichtige joodjes. Overdag bleef ik weg, at in de gaarkeuken om geld te besparen, werkte op het kamertje van Scherp en tegen den avond, tegen tien uur, als ’n dief, rondkijkend of ’k niet bespied werd, of ’r geen spionnen stonden, schoof ’k langs den huizenkant naar de Ruysdaelkade. Daar keek ik in elke deur*nis of ’r niemand loerde, liep het huis voorbij, keek in de verder gelegen portiekjes en éérst dan nam ik het midden der kade, floot heel zachtjes het refrein uit Lohengrin : „Nie solist du mich befragen”... ’r Kwam een schaduw achter de tulle gordijnen, de schaduw verdween en voorzichtig trok het koord de deur open. In ’t portaal luisterde ik of ’r niemand in de gangen was, deê m’n laarzen uit en op m’n kousen, voet voor voet, ophoudend als ’n tree kraakte, sloop ik naar boven, de gang door, de kamer in. Zoo ging het avond aan avond. Juffrouw Perron vermoedde alles, ’s morgens mocht ze niet binnenkomen, ’s avonds moest ze twéé vorken, twéé messen, van alles twéé geven — maar ze had geen, wilde geen „bewijzen”. Yoor de rechtbank zou ze een ééd kunnen doen. Nooit zag ze het minste. Het was gerechtelijk in orde. We deeën het zooals fatsoenlijke menschen het doen. Wij gaven niemand aanstoot. Ik