De kinderen. Wij belanden in een rendez-vous.
Het werd een zonderling schuw leven die eerste week op de Ruysdaelkade. De „man” wàs in de stad, de-man-van-het-kontrakt, de maatschappelijke man, de eigenaar. Georgine had hem op de tram zien staan. Ze was er zéker van. Als maar even gescheld werd, schoof zij geagiteerd naar de neerhangende, tulle gordijnen, luisterde angstig aan de kamerdeur om ’t stemgeluid te herkennen. Het „huis” was op haar hand. Wij hadden de voorkamer é é n h o o g. De achterkamer, dito, werd door de ouwe vriendin van schoonmama, juffrouw Perron, bewoond. Op de gedrukte omslagen van een artistenblaadje waarop zij geabonneerd was, stond Madame Veuve Perron. Zij verhuurde kamers aan „artisten”, zag er uit als een net burgervrouwtje, klein, mager, zwart, met de levendigheid eener française die veel van de wereld gezien heeft. Haar eene dochter Amélie, zwaar teringachtig, werd geminteneerd door ’n tabaksmakelaar, de andere dochter Sophie was „op kamers gezet” door ’n rijken assuradeur. Charles, de zoon, een bleeke jongen van ’n jaar of twintig, reisde in toiletartikelen. Meest zat hij bij mama thuis, lui, geld-leenend van zijn zusters Amélie en Sophie. Madame Veuve Perron kreeg van de twee dochters samen vier gulden per week, waarmee ze haar huur kon betalen. Meer „deden” de dochters er niet aan. Kwam Amélietje bij mama eten, wat ze meestal dee als de tabaksmakelaar op reis wTas, dan droeg ze een kwartje bij voor ’t dinér.
„Ze stinke van gierigheid,” zei Madame Veuve Perron in ver