386
zoolang voorloopig apart gaan wonen. De dame mag u óok niet bezoeken. Denk toch eens aan flagrant délit.
I k: — O ja.
De advocaat: — En dan afwachten, afwachten.
Ik: — Ja, afwachten, af wachten.
De advocaat: — Anders is u in ieder geval de kinderen kwijt. We moeten het teerste stroohalmpje aanvatten. Zoo. Nu zijn we wat meer practisch geworden.
Ik: — Dus in wat de wet huwelijk noemt mag ’n man stom, idioot, ziek, verslaafd aan drank, onanist, ruw zijn, mogen man en vrouw elkaar met anderen bedriegen als ze ’t maar handig doen, wordt van liefde niet gesproken ? Ook niet van vrije wil ?
De advocaat: — De wet bemoeit zich alleen met maatschappelijke verhoudingen, met den rechtstoestand, met...
Ik: — En over de kinderen heeft de vrouw niets te zeggen ?
De advocaat: — Als de man onwelwillend is, néé.
Ik: — Dus het matriarchaat is gereduceerd tot de speen, tot de luren, tot het baren ...
De advocaat (wijs): — Precies.
Ik: — Dan hebben bastaards ’n moeder, stadhuiskinderen ’n vader. Kijk, al mogen bastaards dan niet in de vergadering des Eeuwigen komen tot in het tiende geslacht *) — dan zijn zij en hunne moeders te benijden — vin u niet, waarde heer?
De advocaat: — Weer héél spitsvondig. Maar houdt ü zich nu aan mijn advies, om tenminste een kansje te hebben in deze verloren zaak.
Ik: — ... Gek!... Gek! (opstaand en den stoel verzettend gelijk een niais doet)... Ik dacht wat af te weten van het huwelijk...
De advocaat: — Nee u weet er hoegenaamd niets van.
Ik: — Dat zie ik.
De advocaat: — U had er niet het flauwste begrip van. Is u nu wat wijzer geworden, waarde heer?
Ik: — Ja, ik ben wijzer geworden.
Aldus was het gesprek met den correcten, welwillenden advocaat. Onderweg, met mezelf pratend, ré-dé-née-rénd, besloot ik „alles” te doen voor Kaatje, voor Toosje. Het leek mij een wreed,
*) Deuteronomium XXIII. 3.