375
an, of hoe heb ik ’t met je?” — „Malle Mol: van barbiertjes kan ’k me vandaag niks aantrekken. Ik ben minstens ’n halven dag wijsgeer. Ik heb ergens hónderd pop losgewerkt. Hónderd pop, hoor je ? En geen Doedelaar is in staat ’n zoo zeldzame vreugde te bederven!” — „Heb je honderd gulden ?”, vroeg zij verrast. — „„Honderd! Negen en negentig gulden vijf en zeventig cent. ’k Heb ’n kwartje sigaren gekocht” — Wat een uitkomst! D’r staat twintig gulden bij de kruidenier an de overkant èn . .. — „Bederf jij nou me pleizier niet!... Na ’t eten asjeblief!. .. Hoe was ’k met die mof? ... Deftig, hè ? .. . Prachtig, hè? ... Net alsof ’k mezelf in n boek hoorde spreken ... En nou geeft Ka me ’n lekker bittertje, hè?” — „Ja, pappa” .. . — „Mag je niet zeggen”... — „Mamma het ’t me gezegd”... — „Dan heeft mamma zich vergist” — „Hè toe, laat ’t ’r zegge ... Jij ben zoo goed, zoo’n goeie engel voor ons allemaal” ... — „Nee, jongens, wel ? .. . Ik ben jullie oome, jullie oome met negen en negentig gulden vijf en zeventig cent... en wil jij je wel is niet op jehoofje krabbe, Toos !” — „Kakkie ... Hoereboel” ... lijsde van onder op. — Als ’k hier wegga boor ’k ’n gaatje in de waterleiding! Dat tuig!”, zei Georgine, wraakzuchtig.
„Kerel, wèes nou toch practisch,” zei Dirk, Guus was uit de stad. Hij èn Karel kwamen ’n avondje verpraten, dat wil zeggen ’n avondje na elf uur. „Hóór je, Alf? —riep Georgine. — „Jawel, jawel.” — „Je kunt nou eenmaal niet alles theoretisch doen,” beredeneerde Dirk achter z’n biertje : „je kunt wel ziekelijk droo-men, maar van droomen eet je niet en mèt droomen worden jullie allemaal nog ongelukkig.” — „Jawel! jawel!”, zei ik onverschillig. — „O zoo,” meende Karel: „toen ik geen engagement had ben ik sigaren gaan maken! Jij met je eeuwig: jawel!” — „Jawel! Jawel!” herhaalde ik. — „Wor nou is ernstig, Alf.” — „O, ik ben akelig, volkomen ernstig.” — „Of jij rèdènèert” — hield Dirk aan — „of jij redeneert als Brugman, je moet met de praktijk rekening houen... Jij zegt dat de man-met-het-kontrakt niet zoo dwaas zal zijn z’n vrouw óp te eischen, nou ze niet meer van ’m houdt en ’n anderen man genomen heeft — dat is kul! Kul! God, kerel wees toch niet zoo volslagen idioot. Je móét en je móét naar ’n advocaat.” ... — „Ach loop heen!” — „Met de politie kan-ie Georgine èn de kinderen laten weghalen —„Ja, de kinderen!” — „O, got, Alf, de kinderen” — „Ik ga naar geen