374
en toen ik de deur op slot gesmeten !... O ! O ! wat ben ’k ’n ongelukkige vrouw !... Alles komt op éen dag !... Wat ’n ellende !” Ka en Toos zaten stil in ’n hoekje, beduusd door ’t gesnik van Georgine. Ik bracht haar tot kalmte, klopte den barbier op. Wit van ingehouden angst-opwinding, met blauwige zenuwtrekken onder de oogen, kwamie binnen. Volmaakt-rustig, uit de hoogte, met iets in m’n stem dat ’m op ’n afstand scheen te houden, zei ik: „ . .. Meneer Doedelaar — mijn vrouw verteld me dat ’r straks ’n kleine onaangenaamheid gebeurd is ...” — „Kleine onaangenaamheid,” zei hij verrast... „kleine onaangenaamheid ! Noem u dat...” — „Pardon. Ik verzoek u mij te laten uitspreken ... U is te veel man van de wereld om niet te weten hoe ’t hoort. Straks is ’r ’n kleine scène geweest...” — „lek hab die partij van die joefrou auf genommen.” — „Daar dank ik u wel zeer voor. Wil u ’r nota van nemen dat ’k u de huur opzeg tegen eind van de volgende maand”... — „Dadelijk, Alfred” viel Georgine mij in de rede — „Stil... we zullen eind van deze maand vertrekken ... dan kunt u twéé maanden ontvangen . . . Tot zoolang zult u wel zoo beleefd willen zijn de vormen tegenover mijn vrouw geheel in acht te nemen, niewaar ?” — „Natuurlijk. Wel zeker. lek moet” ... „Pardon. Ik verlang ’r niet over te redeneeren. U heeft me góéd verstaan: volkomen de vormen in acht te nemen, tegenover deze dame, anders zou ’k verplicht zijn ... Maar u is te veel man van de wereld om mij niet tout a fait te begrijpen” ... — „Alle respekt voor ü mijnheer. Alle respekt. Van u zal iek altijd met lof spreken, maar die joefrou, die joefrou .. „Permiteer me te zeggen, dat ’k niéts benieuwd ben naar uwe opinie over mijn vrouw” ... — „Laat u mijn nou ook eens uit-spreke, asjeblief mijnheer” — „Ik zeg u dat u eind van de maand twee maanden huur betaald krijgt. Anders heb ik met ü niets te bepraten.” — „Ja maar, jawel mijnheer... iek wou u toch ook eens zeggen” ... — „Mag ik u verzoeken?” — „Mijn goed! met die kale kakkie ! Als iek mijn huur maar bekom!”
Bradend — vóórzichtig-bradend in de kaantjes van zijn drift, retireerde hij. Beneden werd hij dapper, laaide z’n barbiertjespassie op, schreeuwde hij heldhaftig dat ’tuit was, uit. Ik was in ’n te gemoedelijke stemming. Met de twee kinderen op m’n knieën speelde ’k van haken en oogen — tikke takke toge — goudpapier — tierelierelier. — „Wat ben jij ’n vreemde man,” zei Georgine, voor de zooveelste maal: „trek je je nou van niks wat