345
Hel van zilverklank sprak het stemmetje door de kamer. Haar oogjes schitterden van koorts, de wangetjes bolden purperrood. „Héérlijk! Dolletjes .., 2'al ’k nou is zinge ?”
„Nee, snoet, D’r onder blijve.”
„Effe maar, hè? Effe ? ..
„Daar was is ’n mannetje, dat was niet wijs.
„Dat bouwde z’n huisie al op ’t ijs;
„’t Begon te dooièèèè, maar niet te vriezèèèè...
„Toen most-ie z’n huissie ver-lie-zèèè. ..”
„Nou slaapies doen.”
„Ja, mamma.”
Halftien, zachtjes loopend, kwam ’k thuis. Georgine lei met nog natte oogen bij het kermisbedje ingeslapen. Kaatje sliep. Haar adem zaagde pieperig uit ’t open mondje. Voorzichtig ging ’k bij de tafel zitten. Kloos lag opengeslagen. Er naast een aantal beschreven, genummerde velletjes. Glimlachend, dan heel ernstig begon ’k te lezen, wat niét voor me bestemd was. Boven ’t eerste velletje stond :
VERZEN VAN GEORGINE CASPER
in nagebootste drukletters, dan volgde deze voorbereiding op een kladje.
geprezen
onderwezen
vreugd verheugt jeugd vlood dood nood lood rood
tooverkracht aangebracht gedacht zacht lacht verwacht
verdragen wagen vragen jagen
spiën gezien lien
verklaard openbaard verjaard
kind wind begint
scheef dreef
verwinnen beginnen verzinnen gezicht bericht verwant verstand fier getier