388
schap van man en vrouw bitste. Boven drensde zacht kinder-gebler.
,,’k Dacht niet dat ’t zóo gauw zou weze,” zei Dirk — bang voor die stilte.
„Ze kreeg ’n tweede benauwdheid, nog geen kwartier later,” fluisterde Guus.
Meijer keerde zich om, snoot z’n neus breed-toeterend, nam den hoed van de tafel, streek hem op met zijn pelsmouw, inwrijvend de natte striemen, vroeg zachtjes:
„ ., . Wanneer is de begrafenis?”
„Woensdag,” zei Guus.
„Wil je me late wete, hoe laat?’’
Het verschoten tapijt betastend met de kraakjes-lachende, verlakte bottines, ging hij naar de deur, onzeker Van beweging. Maar Duif, die ’m had staan te beloeren vloog op, posteerde zich voor de deur, rauwde hem haar haat van lange jaren toe, pogend haar stem te dempen tot doodekamer-gefluister.
„ ... Fluim! Fluim! Bè-je nou blij da-je van ons af ben, hè?.. . Bé-je gelukkig da-je weer vrij ben... Fluim! Fluim! Fluim!” „Juffrouw, ik verzoek u —”, zei Meijer heesch : „ik verzoek u ...” „Toe nou Duif... denk toch an Stientje. ..”
„Hóóre zal die vuile sodemieter, die stinkende makkero met z’n fijne pels en z’n fijne hoed !... Nou ben je van ons af, hè? ... af, hè?... af, hè?... Nou mijn kind dood is, hè?... Nou ’t schaap je niet meer hoeft te gatlikken om ’n dubbeltje of ’n kwartje, nou ...”
„La je me door, of niet ?”
„Huilè! Huilè ! Jij, huilè ! Trane die ’k an me kont veeg, komedie-trane! Gemeene patser om je hande van me af te trekke!... Om me in de steek te late met me kind, om me te late vrete van me èige verdienste!... Ja, raak me is an! Raak me is an ! Je ooge krab ’k uit je smoel dat je de eerste maande niet kan optreje !... Blijf van me lijf, Dirrek ... Bemoei je d’r godverdomme niet mee !... Zoo’n judas !... Zoo’n makkero !... Gemakkelijk, hè, je te late voere door die ouwe hoer en mijn zéven jaar te late opdraaie voor ’t kind!... Je bent niet waard met stront gesmet e te worden, vuile verdommeling!... Zóó denk ik over je! Zóó!” — En in de paroxysme van haar woede, die ze niet heelemaal te uiten dórst door luiduit, gillend schreeuwen, spuwde ze hem een slijmkwal tegen z’n zwart-deftige pels.