336
De hoed beefde in de geglaceerde hand.
Zenuwachtig-druk zette Meijer ’m op de tafel, tusschen het ge war van fleschjes en kopjes, liep op de bedstee toe, scheurde een gordijn halfweg, snikte in de stilte der kamer, waarin we allemaal stonden te huilen. Zijn zwarte pels sloot de bed-stee-openheid af. Maar hij zakte op de knieën, vatte een klein, wit handje in zijn handschoenen, begon dat zoo hartstochtelijk te zoenen, dat de zoenslaagjes in de kamerbenauwdheid als zachte klukjes klonken. Van het bed was ’n tip laken te zien ; tegen de achterwand een plank met ouwe hoedendoozen. Meijer, gehurkt in de builende pels, bleef roerloos liggen. Duif snikte met neusproestingen achter haar zakdoek. Guus huilde tegen Dirk an, die bot stond te kijken met z’n bril in de eene en ’n zakdoek in de andere hand. De burgerjuffrouw7 — van tweehoog — keek naar de bedstee, schudde lang-aanhoudend ’t hoofd.
Guus, snikkerig, groot van vrouwelijk meelijden, liep op Meijer toe.
„ ... Kom nou, Meijer !” ...
Hij snikte weer, luidop, zoenend ’t klein marmerhandje met de dof-bleeke vingertjes.
„Ogotogot... dat scha-aap ... dat scha-aap,” snikte hij : „dat arreme wurm... me niet eens goeie dag gezegd... geen woordje meer ... niks meer ... Ogotogot!”
„ ... Kom nou ... D’r valt niks an te doen ...”, snikte Guus : „Z’is nou bij God”. ..
Meijer stond op, leunde tegen de bedsteeplank, droogde z’n oogen, keek naar dood meisje dat met ’t wit gezichtje, doods-witter nóg door den rossen schijn der lampekap, te rusten lag in de zwarte warring der haren. Duif en Guus snikzuchtten, wat Meijer nóg eens dee losbarsten, maar nu was hij al over zijn natuurlijk gevoel heen, lag de emotie voor hem als iets bezonkens dat in wóórden gezegd kon woorden. Bijna werd ’t ’n grove monoloog.. . „Mijn arm kind. .. Mijn arm dochtertje ... Nou kijk je uit den hemel op je rampzalige vader neer, die je zoo graag had wille houe!... O God — ’k kan ’t haast niet gelóóve dat je dood ben ! — Zeg me dat ’t niet waar is! — Ogotogot arreme stakker, wat hè’k ’n meelij met je! En zoo in eens dood ! En niemand die me gewaarschuwd heeft! — Je eigen moeder niet, kind! — Je éigen moeder, die me niet gegund heeft je oogen toe te drukke . .
„Dat lièg je, godverdomme!”, kwam Duif ingehouden-woest los: „ik heb Dirrek na je toegezonde ...”