328
„Mijn broéder! — Heb ik wel verstaan ?
„Mijn God, waar kwam ik toe !”
„Daar valt hij, zwijmende, als versteend,
„Den Spanjaard op het hart;
„Zijn armen klemmen om zijn borst;
„En deze staat verward.”
In een van mijn „Bloemlezingen” had ze het gevonden. Bij het slot:
„Hij sprak. Het flikkert van den wal,
„En eer men ’t buldren hoort,
„Heeft de eigen kogel uit éen slang „Hun beider borst doorboord.”
kreeg ze rooie oogen. Dat was nou een gedicht. Dat pakte haar. Maar die Klóós, die vertelde niet; dat was allemaal zoo hoogdravend, zoo sentimenteel. Of ’k ook niet vond dat Bij de wieg van Jan van Beers goddelijk was ? Dat kon je je voorstellen. Dat was ten minste waar:.. .
„Doch spoedig worstelt gij door al den rouw,
„Die uwe jeugd bedreigt, en wordt dan vrouw „En moeder — Moeder! o dat woord klinkt schoon,
„Niet waar? ... Dat is gelijk een hemeltoon” ...
Als in een „vers” niks gebeurde was ’t geen vers. Maar mijn stille geglimlach irriteerde haar. Wéér las ze. En die poging zélf voelde ik als iets hoógvrouwelijks, als een zeer mooi gebaar, als een lief tasten naar de schemering waarin ik voor haar stond. Zachtkens zoende ik haar op de oogen, wat schoonmama snurkend goedkeurde, het geluid van Kloos ging door ’t kamertje en Wereldvrede wiegde op schoonmama’s schoot.. .
„Gelijk een bloem bij avond nauw beweegt,
„Maar in de windlooze atmosfeer zich heft,
„Klaar-schijnend op het kristallyn der lucht,
„Rees Afrodite vóór ’t onmeetlijk ruim
„Van licht, dat om haar was, één reine eindloosheid,
„En danste zacht, maar danste niet, bewogen „Maar even door het beven van haar ziel,
„En wat daar schoonst in school”.......