327
Tegen half negen begon ik te schrijven. Schoonmama had veel zin in Wereldvrede van Couperus, Georgine bladerde voor de vierde of vijfde maal in Kloos. Het gas suisde. Het klokje tikte. De koffie pruttelde. Wèlbekende burgermansgezelligheid èn huiselijkheid. Het had veel van een litterair avondje. Schoonmama sloeg met mudjes-handen Couperus om, twintig, dèrtig bladzijden tegelijk. Dan las ze ’n endje, knipperde slaperig achteruit, schokte met ’n kleinen schrik rechtop, sjokte met de mollige mudjeshanden ’n hoofdstuk verder, las, las met ’n soezerig welwillend kijken van oud vrouwtje dat den bijbel beslaapt. Na ’n kwartier kón ze niet meer, werden de kamerstilte, het koffie-gepruttel, het gasgesuis, het klokkegetik haar te machtig. Maar ze geneerde zich voor schoonzoon, nam ’n aanloop voor haar dutje ... ,/t Is toch wel héél mooi, zei ze, wijs-knipperend naar de lamp kijkend: héél mooi, héél mooi... Wat is ’t hier stil, hè ?” En in dien sluwen overgang, als in bepeinzing der lectuur, leunde ze achteruit, tukte, met ’t hoofd slap-wiegelend, tot de lorgnet afviel, aan ’t kettinkje bengelde. Na ’n paar minuten snurkte ze hardop. Georgine keek me angstig aan, wetend dat ik geen geluiden kon velen bij ’t werk, maar schoonmama werd met een schrik wakker, zei suf slaperig... „Hèb ’k geslape ?... ’k Dacht da’k sliep —” en vervolgde Couperus, die voor schoonmama’s geknipt is, telkens weder omslaand met mudjeshanden, zoekend een hoofdstuk van spanning tot ze ganschelijk wegknuffelde in zacht snurkend slaapgeknikkel.
Georgine las Klóós. Wérkelijk het was een litterair avondje, Kloos en Couperus, bestudeerd door mijn vrouw en mijn schoonmama. Van Eeden ontbrak nog om het heelemaal modern te hebben. Georgine las Klóós, terwijl schoonmama met Wereldvrede in haar schoot vrindelijk snurkte. Georgine wóu Kloos begrijpen, meespreken over verzen als over verzen gesproken werd. Kloos hanteerde haar. Ze wou in hem komen, las, herlas, voelde wel een énkel gezegde van volle openheid, maar wat een vers was stond nog buiten haar teer-vrouwelijk-huismoe-dertjes-doen. Móói vond ze De lediye stoel -— van hoe-heet-die-kerel-ook-weer —, móói vond ze De twee broeders voor Bommel van Bilderdijk, vooral in gedeelten als:
„„Zijn naam”” — „ó Meld hem!” —„„Van der Zaan”” „Gerechte Hemel! hoe !