242
zat. Langzaam — ’k móést om halfdrie ergens zijn — begon 'k m’n laarzen aan te trekken, die Frits netjes gepoetst had. Bezig met ’t anrijgen van de eene, kwam mama Casper binnen, zag me in m’n chamberloek, en ’t overhemd op den stoel, en zei rustigjes: „Goeie middag.” Weer sprak Georgine gejaagd-druk over ditjes en datjes, voelde ik haar onrust nu haar ouders getuigen waren van een huiselijke ochtendscène. Mama zat aan de ontbijttafel, smeerde zich een beschuitje, informeerde naar Kaatje,, naar de menschen waar Georgine nü bij woonde, naar de brieven van haar schoonzoon uit Amerika en haar oogjes, haar zwarte bij-de-pinken, alles oplettende oogjes, volgden terwijl — achter ’t lorgnet-gedribbel — elke beweging van den vreemden mijnheer. Papa rookte zijn sigaar, hield z’n mond.
„U neemt me niet kwalijk,” zei ik erg beleefd, toch nu wel met met een kietelende pret om ’t théatre-libre-achtige van het geval: „u neemt me niet kwalijk da’k me wat haast, ’k Heb om half drie belet.” En dan onder stilte van ’t gezelschap, reeg ’k m’n tweede bottine, die de algemeene aandacht had. Het strijken van de veters tegen de koperen pennetjes was te hooren. Toen moest de chamberloek uit. In de alkoof was geen licht en op ’t gevoel kon ’k mijn das niet strikken. Wat gaf ’t ook of ze me zagen bewegen als man ... des.. . des ... des ... dès huizes ? — Ze zouen wel an meer gewennen. Georgine wou afleiden, sprak van achttien vette tongscharren die ze voor zestien stuivers gekocht had — d’r moeder vond dat tien genoeg was —, vroeg hoe ze havermout moest klaarmaken — maar mama, knabbelend van ’n tweede beschuitje, hield het wipneusje niet van me af, beloerde met haar slaperige oogjes m’n front, m’n boord, m’n nieuw^e das — van Georgine — mijn manchetten, de knoopen van mijn vest, m’n horloge, m’n colbert en den borstel waarmee ik me schuierde.
„Dag mevrouw,” zei k, toen ’k klaar was.
„Dag mijnheer.”
„Dag mijnheer Casper,” — hem dorst ’k ’n hand geven.
„Dag mijnheer.”
Even moest ’k Doedelaar nog aanhooren. Hij had vijf minuten aan de bel staan luien. Toen had de „schoeft” hem open gedaan— Ien zein hemd stond-ie mijneer. — Weet-u wat hij zei? — Jij kan verrekken — zei hij. — Zoo’n schoeft. — Maar iek zal met die huisbaas reden. — lek laat mein boel niet onderzijken! Mama Casper liet zich uitleggen wat dat was. Georgine wees haar ’t