233
„Ja.”
„En als ’k nou tegen ’n uur of vijf ’n kruier zend — dan let jij wel op Karel, dat alles meegaat. Zie je : met de parapluie mee zés stuks.”
„Ja.
„Jij blijft zeker thuis?”
„Ja, ik ga nog wat werken.”
„Daag.”
„Veel succes. Geef an de kruier ’t adres mee, dan kom ik je van avond opzoeken.”
Georgine en Kaatje gingen de trap af — even keerde ik me om bij de deur, zag de doodsche wanorde, de tafel met de drie borden, de boterham met één hap, ’t sneedje met kaas, de linnenkast met openstaande deuren, ’n vuilen handdoek, proppen papier en knikkers op den grond, de holle, leege, blommetjeswanden, stoelen met servetten over de leuningen, de zwarte geeuwende alkoof met wit geschemer van kannen en ’n half volle po en de wit-ziltig triestige reflectie van het zwanendons der najaarslucht op den kleinen stapel naast de tafel, op de zwarte koffer met de grauwe initialen G. C., op de mand met het pluistouw, op de reisdeken, de ouwe hoededoozen, de schuinhangende parapluie.
Beneden wachtten Georgine en het kind. Op straat hoorden we nog het gegil, het drensend lamenteeren als van een vrouw die in weeën ligt.
„Weet je waar ’k de mééste spijt van heb,” hèrklaagde Georgine, „van dat nieuwe lint... ’n prachtig end van vijftien stuiver de el..
Wij liepen de stad in — zij bleek-betrokken met ’t kind an de hand — ik er naast, als ’n heer, die zoo is toevallig meeliep — voor de mènschen, voor de ménschen...