verhouding tot zijn schoonzoon, baatte niets. Daar niemand van ’s konings dienaren het waagde, de hand aan deze onschuldige priesterschaar te slaan, voltrok de verraderlijke en bloeddorstige Doeg zelf, op ’s konings bevel, het wreede vonnis. ') Nobs priesters benevens al zijne inwoners vielen als slachtoffers van Sauls razende en ontembare woede. Ebjathar, een van Achimélechs zonen, die gelukkig aan den moord ontsnapte, begaf zich tot David, door wien hij in vriendschap opgenomen werd. Na de verwoesting van Nob werd Gib'on de plaats van den nationalen offerdienst.
HOOFDSTUK LXI.
Davids zwerftochten door Juda.Nog altijd zwierf David met zijne dappere bende, die intusschen reeds tot 600 man aangegroeid was, door het stamgebied van Juda, totdat hij eene schuilplaats vond in de vesting Ke’ila. Hare bewoners namen hem met liefde op wegens de hulp, die hij hun tegen de Philistijnen verleend had. Toen Saul dit gewaar werd, trok hij aan het hoofd van een groot leger naar Ke'ila, om zich van zijn vijand meester te maken. Maar David, daarvan onderricht, verliet deze schuilplaats, om zijne zwerftochten door de woestijnen van Juda weder te hervatten. Te midden zijner voortdurende ongelukken schonk hem de komst van zijn boezemvriend Jonathan, die hem in de woestijn Zif (in het oosten van Juda) bezocht, troost en opbeuring. Ofschoon Davids aanstaand koningschap voor Jonathan volstrekt geen geheim meer was, droeg hij hem nog dezelfde gezindheid toe als voorheen, waarvan hij door de hernieuwing van het verbond van trouw en vriendschap het duidelijkst bewijs gaf. Na zijn vertrek verscheen Saul, door de Zijieten van Davids verblijfplaats onderricht, met geheel andere bedoelingen in de omstreken dier woestijn. Hij bezette met zijne manschappen hare uitgangen zoodat David in groot gevaar verkeerde. Op het bericht, dat de Philistijnen een iriyal in zijn rijk gedaan hadden, moest hij echter onverrichter zake aftrekken. Evenwel gaf hij
*) Door dezen gruwelijken moord trad voor een groot gedeelte de voorspelling, door God reeds vroeger (zie bl. 81) over Eli's geslacht uitgesproken, in vervulling.