verscheen. Het begreep niet, dat men de leer Gods niet vooruit, maar in het hart moet dragen, om de zege te kunnen behalen. De Philistijnen verdubbelden hun moed en brachten het een nog veel gevoeliger verlies toe. Er sneuvelden 30,000 man, waaronder ook Eli’s zonen, terwijl buitendien de arke den vijand in handen viel. Het be-richt dier volksramp, door een vluchteling het eerst te Silo medegedeeld, veroorzaakte aldaar diepe verslagenheid. Toen de 98-jarige Eli, die met belangstelling den afloop van den strijd en het lot der arke afwachtte, uit den mond van den vluchteling vernam, dat de Israëlieten over-wonnen en zijne beide zonen gesneuveld waren, bleef hij — als ware hij op deze treurige tijding reeds voorbereid — rustig en kalm. Maar toen deze hem verder mededeelde, dat ook de arke in de hand der Philistijnen gevallen was, viel hij van schrik en ontzetting van zijn zetel achterover, ten gevolge waarvan hij zijn nekbeen brak en stierf'). De Philistijnen drongen intusschen dieper in het land door, dat tengevolge hiervan aan schrikkelijke ellende prijs gege-ven was.
De arke voerden zij naar hun land mede en plaatsten haar in den tempel te Asdod bij het beeld van Dagon. Reeds den volgenden ochtend vonden de Asdodieten het beeld op den grond liggen. Zij richtten het weder op, maar hoe verbaasd stonden zij, toen het daags daarna ge-heel gebroken voor de arke lag. Buitendien brak er eene afschuwelijke ziekte onder hen uit, die hen zoo bevreesd maakte, dat zij de arke niet langer in hun midden duldden. Men voerde haar naar Gath, eene andere Philistijnsche plaats, waar weldra dezelfde ziekte vele menschen ten grave sleepte. Toen zij nu naar Ekron gevoerd werd, waar hetzelfde plaats vond, overviel de bewoners dier stad zulk eene vrees, dat men eindelijk op raad der priesters en wichelaars be-sloot, de arke weder naar het land Israël terug te zenden. Zij werd op een nieuwen wagen geplaatst, die door koeien voortgetrokken moest worden, wier jongen men van achter haar wegvoerde. De koeien sloegen, zonder zich daarover te bekommeren, van zelf den weg in naar de eerste grens-stad Beth-Sémes, waardoor de Philistijnsche vorsten begrepen,
ף Ook Silo schijnt toen verwoest te zijn (vgl. Jerem. 7,12 en 26,6). De vrouw van Pinchas vernam met ont-zetting deze ongelukken op hetzelfde oogenblik, waarop zij een zoon ter wereld bracht. Zij gaf hem daarom den naam I-Kabod (אי כבוד), de heerlijkheid van Israël is ver-dwenen. T
Mon. Gescli. I, 6*