8i
HOOFDSTUK LI.
Eli — SamnelB jeugd,Simson werd opgevolgd door Eli, van wiens jeugd en mannelijken leeftijd ons niets bekend is, daar wij hem in de geschiedenis het eerst ontmoeten als een eerbiedwaar-digen grijsaard, die naast de waarneming van den hooge-priesterlijken dienst in den tabernakel te Silo het rechterlijk ambt vervulde. Zijne zonen Chofni en Pinchas bewandelden den weg huns vaders niet, maar ontwijdden hun priesterlijk ambt door hebzucht en geweld, bezoedelden zelfs het heiligdom door losbandige zedeloosheid. Dit wekte de ontevredenheid des volks op, maar baarde vooral den vromen vader veel leed en verdriet. In plaats echter met onverbiddelijke strengheid tegen hen op te treden, om het kwaad nog bijtijds met wortel en tak uit te roeien, stelde hij zich tevreden met zachte vermaningen en terechtwijzingen. Een Godsgezant voorspelde den zwakken en toegevenden vader het noodlottig uiteinde van zijn geslacht. Zijne afstammelingen zouden óf op mannelijken leeftijd sterven, óf zich uit broodsgebrek voor de geringste priesterlijke bedieningen verhuren, terwijl de hoogepriesterlijke waardigheid in een ander geslacht zou overgaan. Ten bewijze van de waarheid dier treurige voorspelling zouden hem zijne beide zonen op één dag door den dood ontrukt worden. Schonken hem dus zijne zonen reden tot verdriet en teleurstelling, des te dierbaarder was hem de jonge Samuel, die reeds vóór zijne geboorte door zijne edele en godvruchtige moeder tot den dienst voor God geheiligd en op zeer jeugdigen leeftijd Eli ter opvoeding toe vertrouwd was geworden.
Te Rama, eene stad in het gebergte Ephraïm, leefde een Leviet, Elkana. Hij had twee vrouwen, Chattna en Penina, waarvan hij de eerste meer beminde, niettegenstaande zij onvruchtbaar was, terwijl de laatste hem reeds verscheiden kinderen geschonken had. Dit verwekte menigmaal huiselijken twist en oneenigheid. Zoo dikwijls Elkana blijken van teedere liefde voor Chantia aan den dag legde, beleedigde en krenkte hare mededingster haar door te wijzen op hare voortdurende kinderloosheid. Zij gevoelde zich daardoor ongelukkig en hoopte vurig de moedervreugde te mogen smaken. Toen zij eens volgens jaar-lijksche gewoonte met haren echtgenoot het heiligdom te Silo bezocht, stortte zij aldaar haar bedroefd gemoed voor God uit. Zij smeekte om eenen zoon, dien zij tot Nasier wijden en voor den dienst des Eeuwigen wilde bestemmen. Onhoorbaar zacht vloeiden de woorden van hare lippen, zoodat Eli, die
Mon. Gesdi. I, C