smeekte hij God innig om redding. God verhoorde zijn gebed en liet in zijne nabijheid eene waterbron ontspringen, waardoor hij zijnen dorst kon lesschen. Sinds dien tijd bezocht Simson voortdurend het Philistijnsch grondgebied. Eens kwam hij te Azza, waar hij kennis maakte met eene vrouw, in wier huis hij zijn intrek nam. Toen de inwoners dit gewaar werden, lieten zij tegen den avond de stadspoorten sluiten met het voornemen, hem den volgenden ochtend te dooden. Bewust van zijne sterkte, bekommerde hij zich over dit plan volstrekt niet, maar legde zich onbezorgd ter ruste. In het midden van den nacht stond hij op, ging naar de stadspoort, verbrak hare grendels en droeg de deuren naar een berg, tegenover Chebron.
Heldhaftig maar treurig was Simsons levenseinde. In het dal Sorek leerde hij eene Philistijnsche vrouw kennen, Delila geheeten. Zij veinsde hem te beminnen en drong, door de Philistijnsche vorsten omgekocht, bij hem aan, haar de geheime oorzaak zijner zeldzame sterkte te openbaren. Tot driemaal toe misleidde hij haar en verijdelde telkens hare pogingen om hem krachteloos te maken. Hij liet zich eerst met zeven versche pezen binden, vervolgens met zeven nieuwe touwen en eindelijk zijn haar om een weversboom vlechten, dien zij met eene pen in den grond bevestigde. Maar al deze sterke banden verbrak hij telkens als draden. Eindelijk kon hij niet langer weerstand bieden aan de vleitaal der listige vrouw. Hij openbaarde haar, dat zijne kracht lag in zijn hoofdhaar, dat hij als Nazier nog nimmer had laten afsnijden. Zoodra echter een scheermes over zijn hoofd kwam, zou hij onmiddellijk zijne kracht verliezen en aan ieder ander gelijk worden. Hierop sneed zij hem in den slaap zijne haarlokken af en ... de held was getemd. De Philistijnen, die zich in een belendend vertrek verscholen hadden, snelden op het geroep der vrouw toe, om Simson gevangen te nemen. Vreeselijk was hun wraak op den man, voor wien zij zoo lang gesidderd hadden. Zij staken hem de oogen uit en zetten hem te Azza in de gevangenis, waar hij den molen moest draaien. In hun blijdschap over Simsons val vierden zij na eenigen tijd een feest in den tempel van hun afgod Dagon. Opgetogen van vreugde lieten zij Simson uit den kerker halen en naar den tempel voeren, om zich met het spel van den blinden gevangene te verlustigen. Maar zijn gekrenkt eergevoel kwam tegen deze smadelijke behandeling in verzet. Hij liet zich tusschen de beide pilaren plaatsen, waarop het gebouw rustte. In dit oogenblik smeekte hij God, hem nog eenmaal de kracht te geven, om zich op zijne vijanden te wreken. Onder den uitroep: > dat ik met de PhiUstijneti