anderen zelfs geheel afvielen en nieuwe, onafhankelijke rijken stichtten. Zoo liet zich na den dood van den hooge-priester Jojada ') Bagoses, de satraap van Syrië, door Josua omkoopen, om hem de hoogepriesterlijke waardigheid toe te wijzen, terwijl reeds zijn oudere broeder Jochanan daarmede bekleed was. Toen nu beiden in den tempel verschenen en op het hoogepriesterschap aanspraak maakten, ontstond er een woordentwist, waarvan het gevolg was, dat Jochanan, in hevige woede ontstoken, zijn broeder in het tempelvoorhof om het leven bracht. Hierop rukte Bagoses, onder voorwendsel, dat hij den dood van zijn gunsteling wilde wreken, met een aanzienlijk leger tegen Jeruzalem op, drong den tempel binnen, dien hij van zijn kostbaarheden beroofde, en legde Juda eene zware belasting op, waaronder het zeven jaar gebukt ging. Buitendien had het veel te lijden van de plunderingen der Perzische troepen, die door dit land hun weg namen naar Egypte, waar telkens oproeren uitbarstten en pogingen aangewend werden, om weder de vrijheid te herkrijgen. Maar niet het minst werd het geteisterd onder het wreed en bloeddorstig bestuur van Artaxerxes UI Ochus (362—338), tegen wien alle onderhoorige staten samenspanden.
Intusschen ging het Perzische rijk met rassche schreden zijn ontbinding te gemoet. Zijn laatste vorst Darius Kodo-mannus werd door Alexander van Macedonië, wegens zijne heldendaden en machtige veroveringen de Groote bijgenaamd, overwonnen en hiermede had het eens zoo machtige wereldrijk den laatsten snik gegeven (333). Op het bericht van Alexanders zegetocht naar Jeruzalem ging hem — naar de overlevering luidt — de hoogepriester Jaddua (volgens eene andere mede-deeling was het Simon), in zijn heilig ambtsgewaad en gevolgd door eene schare priesters en voornamen des lands te gemoet. Alexander was door dit bewijs van onderdanigheid diep getroffen, en nog te meer, omdat hij zich herinnerde, dat hem eens in een droom dezelfde eerbiedwaardige gestalte als die des opperpriesters verschenen was, die hem zijne toekomstige grootheid en de verwezenlijking zijner veroveringsplannen voorspeld had. Hij ontving het gezantschap dan ook met groote voorkomendheid en gaf het de verzekering van zijne gunstige gezindheid jegens het Joodsche volk. Dit verhaal moge geheel of gedeeltelijk tot het gebied der volkslegenden behooren, het is echter zeker dat Alexander de Groote den
’) De hoogepriesters na Eljasib (zie bl. 131) tot het einde van de Perzische heerschappij waren: Jojada tot 419,Jochanan tot 383, Jonathan tot 360 en Jaddua tot 332.