teisterd wordt, kiest de schrijver van dit werk tot uitgangspunt zijner wijsgeerige bespiegelingen.
Ijob leefde gelukkig en tevreden in het landschap Uts, gezegend door een talrijk kroost, ruim bedeeld met aardsche schatten. Maar plotseling treft hem Gods straffende hand, waardoor hij in het ongeluk gestort wordt. Zijn rijke veestapel wordt door rooverbenden weggevoerd, zijne kinderen hem door den dood ontrukt en eindelijk hij zelf door eene afschuwelijke ziekte aangetast. Nog blijft hij kalm en gelaten, bezwijkt hij niet onder den last dier ongelukken, door de overtuiging, dat »men zoowel het goede als het kwade met liefde van God moet aannemen.” Maar eindelijk breekt hij, door hevige pijnen gefolterd, in bittere klachten uit, verwenscht hij in tegenwoordigheid zijner drie vrienden, die gekomen waren om hem te troosten en te bemoedigen, den dag, waarop hij het levenslicht aanschouwde. Ieder hunner trachtte hem tot kalmte te dwingen door er op te wijzen, dat de straf tot loutering van den mensch dient. Maar deze troost was geen balsem voor zijne wonde, integendeel hij stemde Ijob nog verdrietiger en maakte hem nog gemelijker, daar hij zich van geen enkele misdaad bewust was. Waarom moest hij dan zoo lijden en genoot de werkelijke booswicht geluk en voorspoed! Na een langdurigen woordenstrijd mengt zich eindelijk ook Elihu, de jongste van het gezelschap, in het gesprek. In een uitvoerig betoog verdedigt hij Ijob tegen diens vrienden, maar wijst ook den vertwijfelden lijder op Gods rechtvaardig wereldbestuur, totdat een opkomend onweder allen met angst en ontzetting vervult. Te midden der ratelende donderslagen verneemt men de stem Gods, die de twistende partijen wijst op de grootsche werken in de natuur. Evenals echter daarvan voor den mensch veel verborgen en raadselachtig blijft, zoo vermag hij ook niet door te dringen in Gods wijze raadsbesluiten. Ijobs geschokt gemoed wordt door deze hemelsche stem tot rust en kalmte gebracht. — Omtrent den leeftijd van Ijob loopen de meeningen in de Talmu-dische bronnen ver uiteen. Zoo zou hij v. s. in den tijd van Abraham, v. a. in dien van Mozes,') v. n. a. in dien van David geleefd hebben, terwijl hij volgens eene vierde mededeeling tot de ballingen behoorde, die uit Babel teruggekeerd zijn. Zelfs wordt door een der Talmud-geleerden (Baba bathra 15a) zijn bestaan geheel ontkend en is dus het verhaal slechts eene romantische inkleeding (maschal) van de wijsgeerig-zedekundige stof.
]) Volgens dit gevoelen is ook Mozes de schrijver van dit boek.