weder met heidensche vrouwen. Zelfs priesters deinsden voor dien verraderlijken stap niet terug. Zoo had een afstammeling van het hoogepriesterlijk geslacht (Menassé) eene dochter van Sanballat (Nikasa) tot vrouw genomen en Eljasib, een ander lid dierzelfde familie, een der tempel-vertrekken voor den Ammoniet Tobias tot verblijf ingericht. Maar nog wanhoopte de profeet Malachi, die — volgens de traditie — in dien tijd optrad, niet aan het herstel van het onvergankelijk Jodendom. Hij verweet het volk zijne onverschilligheid, wees de nakomelingen van Levie op hunne plichten als dienaren in den tempel en verkondigers van het woord Gods, bemoedigde de wankelenden en vertwijfelden door de troostende voorspelling, dat er weder éen Godsgezant zou optreden, door en met wien een tijd van geluk voor Tsrael zou aanbreken. Deze belofte werd reeds spoedig gedeeltelijk vervuld door de komst van Nechemja, die op het bericht van het schromelijk verval met toestemming van den Perzischen koning weer naar Juda terugkeerde (omstreeks 426) en onmiddellijk tot strenge maatregelen overging. Hij verdreef in de eerste plaats Tobias uit het hem aangewezen tempelvertrek, dat daarna gereinigd en weder voor zijn eigenlijk doel ingericht werd, bewoog vervolgens de Levieten, door het volk te verplichten tot het afzonderen der heffingen, weder den tempeldienst waar te nemen en gelastte eindelijk onder zware strafbedreigingen, dat de poorten van Jeruzalem gedurende den Sabbath gesloten moesten blijven, om daardoor te verhinderen, dat er op dien dag koopwaren in de stad binnengevoerd of eenigen handel gedreven werd. Niet minder streng was hij ten opzichte van hen, die weder heidensche vrouwen gehuwd hadden. Door bittere verwenschingen, ja zelfs door geeselslagen dwong hij de onwilligen, deze heen te zenden en gebood hun met alle kracht, zich voortaan van deze misdaad te onthouden, aan wier verderfelijke gevolgen zelfs koning Salomo niet had kunnen ontkomen. Zelfs ontzag hij zich niet, om den schoonzoon van Sanballat, toen deze zich tegen zijn bevel verzette, uit Jeruzalem te verdrijven. Deze begaf zich hierop met een aantal Joden, die zich door Nechemja's hervormingen benadeeld of beleedigd achtten, naar de Samaritanen, door wie zij met welwillendheid opgenomen werden. Sinds dien tijd ontstond er eene wijde kloof tusschen de Joden en de Samaritanen. Uit naijver stichtten de laatsten een afzonderlijken tempel op den berg Gerizzim, daartoe aangespoord door Sanballat, wiens schoonzoon tot hoogepriester benoemd werd (420). Nadat Nechemja de noodige maatregelen getroffen had tot instandhouding zijner doortastende besluiten, keerde hij voor goed naar