i?3
derden dag tot Achasweros, die haar terstond zeer genegen was en door een teeken te kennen gaf, dat men haar ongedeerd zou laten. Op de vraag naar het doel harer komst, antwoordde zij, dat zij den koning verzocht, dien dag met Haman aan een maaltijd ten haren hove deel te nemen. Beiden verschenen aan den disch, waarbij Achasweros, overtuigd, dat Ester eene gewichtige vraag op het hart lag, haar wederom toeriep: »wat is uw verlangen? Al wenscht gij ook de helft van mijn koninkrijk, het zal geschieden.” Zij antwoordde, dat zij hem dit den volgenden dag openbaren zou, zoo hij weder met zijn minister aan haren maaltijd wilde deelnemen. Met trots verliet Haman het paleis, om ook zijnen huisgenooten en vrienden mede te deelen, welk eene onderscheiding hem te beurt gevallen was. Maar reeds aan den uitgang van het paleis werd zijne vreugde vergald door eene ontmoeting met Mordechai, die hem niet het minste bewijs van eerbied gaf. De edele man wilde de redding niet koopen door huichelarij of verkrachting zijner heiligste overtuigingen. Bij zijne thuiskomst verhaalde de minister van de hoogachting en buitengewone onderscheiding, die hem niet alleen van de zijde des konings, maar ook van die der koningin te beurt was gevallen. Hij verheelde echter ook niet, dat de minachtende bejegening van den Jood Mordechai hem des te dieper griefde en hij zich telkens ergerde, wanneer hij dezen ontmoette. Zijne vrienden gaven hem den raad, eene galg te laten maken en den koning den volgenden ochtend te verzoeken, dat Mordechai daaraan opgehangen worde. Hij keurde dit plan zeer goed, zoodat hij die nog denzelfden dag liet oprichten.
Esters geheimzinnig en raadselachtig gedrag hield in-tusschen ’s konings geest zoo ernstig bezig, dat hij den eerstkomenden nacht in slapeloosheid doorbracht. Om de verveling te verdrijven, liet hij zich eindelijk het een en ander uit de hofkroniek voorlezen. Zijn hoveling las juist van den moordaanslag, die tegen het leven van den koning gesmeed, maar door Mordechais tusschenkomst verijdeld was. Op ’s konings vraag, of deze man voor zijne edele daad reeds beloond was, antwoordde men hem ontkennend. Juist verscheen Haman aan het hof, om reeds vroegtijdig het ons bekende verzoek tot zijn vorst te richten. Wie merkt niet duidelijk uit den samenloop dier gebeurtenissen de leiding en het bestuur der Voorzienigheid ? De koning beval, dat men Haman onmiddellijk zou ontbieden. »Wel,” vroeg hij hem, »wat moet met den man geschieden, wien de koning eer wil bewijzen ?” In de vaste veronderstelling, dat niemand anders dan hij zelf daarmede bedoeld was, steide hij het volgende voor: »een der voornaamste personen uit den lande moet dien