Geschiedenis van het volk Israël

Titel
Geschiedenis van het volk Israël

Jaar
1891

Pagina's
200



zijne opgewondenheid onmiddellijk met zijne eerste staatsdienaren over de wijze, waarop deze majesteitsschennis zou gestraft worden. Dezen meenden, dat de vorstin, tot afschrikkend voorbeeld, van hare hooge waardigheid vervallen moest verklaard worden, terwijl er tevens een koninklijk bevel zou uitgaan, dat »iedere man heerscher zij in zijn huis” en de vrouw verplicht is, dezen onbepaalde gehoorzaamheid te betoonen. Aan dien raad hechtte de koning terstond zijne goedkeuring.

Toen Achasweros' drift weer bekoeld was en hij zich het besluit omtrent Wasti herinnerde, dat — volgens de Perzische zeden — niet meer herroepen kon worden, gaf hij gevolg aan den raad zijner hofdienaren, om de schoonste maagden uit zijn rijk te Susan te ontbieden, ten einde uit haar midden ééne tot zijne gemalin te kiezen. Onder de jonge dochters, die tot dit doel tot het koninklijk paleis toegelaten werden, bevond zich ook eene Joodsche maagd, Hadassa of Ester geheeten. Zij was ouderloos en door haren neef Mordechai, een van de voornaamste Joden uit Susan, die reeds door Nebukadnétsar naar Baby-lonk verbannen was, als pleegdochter aangenomen. Door hare schoonheid en lieftalligheid bekoorde zij den koning boven alle andere maagden, zoodat hij haaf tot zijne gemalin koos en tevens tot koningin in plaats van IVasti verhief. Gedachtig aan Mordechai's opdracht, hield zij voor Achasweros en alle hovelingen hare afstamming verborgen. Daar Mordechai ook aan het Perzische hof verbonden was, ontdekte hij op zekeren dag eene geheime zamenzwering, door twee hofbeambten, Bigthan en Théres, tegen het leven van den koning gesmeed. Hij stelde Ester daarvan in kennis, die haren koninklijken gemaal tijdig waarschuwde. Nadat de waarheid der aanklacht bewezen was, ondergingen de misdadigers de doodstraf, terwijl op bevel des konings de geheele toedracht dier zaak in de hofkroniek opgetee-kend werd.

Omstreeks dien tijd verhief Achasweros een zijner dienaren, Haman geheeten, tot eersten staatsminiiter. Hij overlaadde hem met eerbewijzingen en beval zelfs, dat alle hofbedienden voor hem moesten knielen en zich ter aarde werpen. Allen gehoorzaamden behalve Mordechai, die op de vraag, waarom hij het koninklijk bevel niet opvolgde, te kennen gaf, dat het hem als Jood verboden was, voor eenig wezen buiten de Godheid te knielen. De trotsche minister gevoelde zich hierover zeer gekrenkt, maar achtte het niet de moeite waard, zich alleen op Mordechai te wreken, Neen, hij zwoer het geheele volk, waartoe deze behoorde, dood en verderf. Alle Joden uit het Perzisch-Medische rijk

Mon. Gesch. 1,12*

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.