Geschiedenis van het volk Israël

Titel
Geschiedenis van het volk Israël

Jaar
1891

Pagina's
200



169

te hervatten. »Is het thans tijd,” zeide Chaggai o. a., »om te wonen in huizen, met cederhout bemuurd, terwijl de woning Gods woest blijft?” Hij spoorde daarom het volken vooral zijne leiders aan, om weder met moed en vertrouwen den arbeid te beginnen en gaf hun de verzekering, dat» de heerlijkheid van dit huis grooter zou zijn dan die van den eersten tempel, daar God op deze plaats Zijn vrede zou doen rusten.” Denzelfden geest ademden Zecharja’s redevoeringen, wiens bemoedigende belofte, dat »Zerubbabel^ door wien de grondzuilen van het heiligdom gelegd waren, dit ook zou voltooien,” er niet minder toe bijdroeg, om zijne broeders uit hunne geestdoodende rust wakker te roepen. Aanstonds sloegen zij weder onder leiding van Zerubbabel en Jésua de handen aan het werk. Toen kort daarna Tatnai, de landvoogd van Syrië, bij zijne komst te Jeruzalem merkte, dat men weder ijverig bezig was met den bouw van den stadsmuur en den tempel, achtte hij het zijn plicht, zijn vorst Darius Hystaspes (521—485) daarvan in kennis te stellen, daar hij niet wist, wie daartoe verlof gegeven had. Eindelijk vond men in het koninklijk archief te Achmetha (.Ekbatana de hoofdstad van Mediè) eene oorkonde, waaruit duidelijk bleek, dat Cyrus reeds den Joden zulks toegestaan had. Darius hechtte daaraan zijne goedkeuring en gelastte Tatnai, dat hij hen niet alleen het werk ongestoord zou laten voortzetten, maar hun bovendien uit de koninklijke schatkist alles te verschaffen, wat voor den bouw noodig was. Door dit gunstig besluit werd de arbeid thans zonder eenige hindernis voortgezet, zoodat na ruim drie jaar de tempel voltooid was en den 3Jen Adar (516) met groote plechtigheid de inwijding plaats vond. Daar eerst door de voltooiing van het huis Gods Israél als het ware de laatste sporen zijner ballingschap uitgewischt had, meenen sommigen, dat de 70 jaren dier ballingschap, door feremia voorspeld, gerekend moeten worden van de verwoesting des eersten (586) tot de inwijding des tweeden tempels.

HOOFDSTUK XCVH.

Mordechai en Ester.

Zooals wij reeds vroeger opmerkten, maakte slechts een betrekkelijk klein aantal Joodsche ballingen gebruik van Cyrus' verlof, om naar Juda terug te keeren, waaruit men — althans met groote waarschijnlijkheid — mag besluiten, dat hun toestand in het Babylonische rijk niet ongunstig

Mon. Gesch. 1,12

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.