DE JODEN ]) ONDER DE BABYLONISCHE, PERZISCHE EN MACEDONISCHE HEERSCHAPPIJ.
586-333 (v. d. g. j.).
Inleiding.
Evenals een ontzettend en angstwekkend onweder, dat de merkbare sporen van vernieling achterlaat, dikwijls de natuur, bezwangerd door eene benauwde, voor al het levende hoogst nadeelige atmosfeer, geheel zuivert, nieuwe levenskrachten schenkt en matheid en loomheid doet verdwijnen voor een frisschen en gezonden ademtocht, zoo hebben ook menigmaal gebeurtenissen van groot gewicht, die ons, op zich zelve beschouwd, met ontzetting en siddering vervullen, de heilrijkste gevolgen voor staten en volkeren, wier ondergang ons zeer nabij scheen. Dit blijkt ook op overtuigende wijze uit den weldadigen invloed, die Juda's staatkundige ondergang geoefend heeft op zijn volk, dat thans »aan Babels stroomen zat en weende bij de treurige herinnering aan de verwoesting van Tsion”. De bevestiging van de herhaalde strafbedreigingen der profeten opende eindelijk de oogen van velen, die tot nu toe in blinde razernij den godsdienst der vaderen veracht en versmaad, met de verheven beginselen der Mozaïsche open-
*) Deze naam, waarmede Kenaans naburige volkeren oorspronkelijk de stammen Juda en Benjamin bestempelden ter onderscheiding van de bewoners van het rijk Israël, kwam sinds de Babylonische ballingschap al meer in gebruik en werd eindelijk geheel identisch met dien van Israëlieten.