geene Godspraak verkondigde, maar leugenachtige taal, hem in den mond gelegd door zijn dienaar Baruch, om hen aan de Chaldeers te verraden, zoodat zij hun tocht naar Egypte voortzetten. Hij zelf verliet, hoe ongaarne ook, den bodem, voor wiens behoud hij zooveel smaad en miskenning geduldig gedragen had, om zijn broeders met raad en daad te blijven bijstaan. Nog in zijn hoogen ouderdom trachtte hij hen, die zich in de armen van het Egyptisch heidendom geworpen hadden, tot de ware Godserkenning terug te brengen, door de jongste gebeurtenissen in hun geheugen terug te roepen en door de verkondiging van het strafgericht, dat over Egypte bepaald was, totdat eindelijk — waar is onzeker —■ de dood een einde maakte aan zijn veelbewogen leven. Zijn aandenken is vereeuwigd door zijne talrijke profetiën, alsook door een treffend en hartverscheurend klaaglied, waarin hij als ooggetuige de rampen van zijn volk schetst tijdens Jeruzalems beleg en verwoesting.
Eene akelige en doodsche stilte heerschte thans in het eertijds zoo volkrijke fuda, dat treurde over het verlies zijner zonen, die óf door het zwaard gevallen óf naar vreemden bodem overgeplant waren. Zijne steden lagen meerendeels verwoest, onder wier puinhoopen de luister begraven lag van eene natie, die hare krachten gesloopt had door ondeugd en zedeloosheid, zonder zich te storen aan de ernstige vermaningen en dreigende strafver-kondigingen harer Godsgezanten.