gaf, dat hij volstrekt geen vijandelijke gezindheid jegens hem koesterde, liet Juda’s koning zich van zijn eenmaal genomen besluit niet afbrengen. De strijd, die derhalve thans onvermijdelijk was, viel ten nadeele van Josia uit. Zijn leger leed bij Megiddo de nederlaag en hij zelf werd zwaar gewond, ten gevolge waarvan hij spoedig te Jeruzalem overleed. Zijn verscheiden dompelde het geheele land in diepen rouw, maar niet het minst den profeet Jeremia, die in een klaaglied het verlies betreurde van den laatsten edelen en braven telg uit Juda's vorstenhuis. Hij liet vier zonen achter: Jochanan, Eljakim, Mattanja en Sallum.
HOOFDSTUK XCI.
Jeremia. — Juda’s onderdanigheid aan Egypte.De zoo even genoemde profeet Jeremia, wiens levensgeschiedenis zoo nauw samenhangt met de gebeurtenissen der laatste periode van Juda’s volksbestaan, was de zoon van Chilkia uit eene priesterlijke familie te Anatoth (in Benjamin). Opgewekt door het woord Gods, dat hem »reeds vóór zijne geboorte als profeet over de volken bestemd had,” en bemoedigd door de verzekering van den Hemelschen bijstand in zijn moeielijken werkkring, aanvaardde hij dien op zeer jeugdigen leeftijd in Josia's dertiende regee-ringsjaar. Bijna eene halve eeuw, dus ook na Juda's val, bleef hij werkzaam in het belang zijner broeders, die hij door ernstige boetredenen en door de ontmaskering der valsche profeten tot het pad van godsdienst, deugd en zedelijkheid terug wilde voeren. Al ondervond hij ook vaak- bittere teleurstellingen en berokkende hij zich door zijne onverschrokken taal groote miskenning en feilen haat, ja, al geraakte hij daardoor zelfs in levensgevaar, toch liet hij zich niet ontmoedigen, maar bleef onverschrokken »als een ijzeren muur” strijden voor zijne beginselen. Zelfs Josia schijnt hem niet de hoogachting toegedragen te hebben, die men met recht van dien edelen vorst had mogen verwachten, door hem noch zijn tijdgenoot Tsejhanja in den hofkring op te nemen. Dit blijkt o. a. daaruit, dat zijne hofdienaren zich met het wetboek van Mozes, omtrent welks voorspellingen de koning nader wenschte ingelicht te worden, niet tot een van deze beide profeten wendden, maar tot de profetes Chulda. Overigens liet zich Josia zoowel in de behartiging der godsdienstige als staatkundige belangen des rijks door hem leiden, zoodat het ook niet onwaarschijnlijk