maar verdienstelijke taak, om zijn geheel land en zelfs enkele streken van het voormalige rijk Israël van de afgoderij te zuiveren, door alles te verdelgen, wat daarmede in verband stond. Eenige jaren later droeg hij drie zijner hoogste staatsdienaren op, zorg te dragen, dat de noodige herstellingen aan den tempel zouden geschieden. Het benoo-digde geld werd met groote vrijgevigheid geschonken, zoodat men spoedig met het werk kon beginnen. Bij het uitruimen van een der tempelvertrekken vond de hoogepriester Chilkia een afschrift van Mozes' wetboek, dat waarschijnlijk door een der priesters, uit vrees voor de schendende handen der laatste vorsten, aldaar bewaard was. Hij overhandigde den staatssecretaris Saphan deze kostbare vondst, die er zich mede tot den koning begaf en er hem eenige plaatsen uit voorlas. Diep getroffen door de daarin voorkomende strafbedreigingen, die Israël bij de volharding in zijne ondeugd wachtten, wenschte hij gaarne nadere inlichtingen daaromtrent in te winnen. Hij liet eene profetes, Chttlda genaamd, raadplegen, van wie hij vernam, dat deze werkelijk in vervulling zouden treden, doch eerst na zijn dood. Door deze voorspelling nog dieper getroffen, riep hij het volk te zamen, om het uit dit wetboek, waarmede het geheel onbekend schijnt geweest te zijn, voor te lezen. Wellicht zou het woord Gods nog doordringen in de harten zijner hoorders en hen tot een beteren levenswandel opwekken. Deze godsdienstige bijeenkomst miste werkelijk haar doel niet, daar men den vromen vorst plechtig verzekerde, »voortaan te luisteren naar Gods wetten en voorschriften.” De plechtige en verheffende wijze, waarop het eerstvolgende Paaschfeest te Jeruzalem gevierd werd, schonk Josia de overtuiging, dat deze belofte ernstig gemeend was.
Intusschen verloor Assyrië na den dood van Sardanapalus (626), den zoon van Esar Chaddon, de opperheerschappij in Azië, daar van de onderworpen landen het een na het ander zijne onafhankelijkheid weder herwon. Daaronder behoorde in de eerste plaats het rijk der Chaldeèrs of Bahylonië, welks macht zich onder zijn koning Nabopolasscr al meer en meer uitbreidde. Deze vond een gevaarlijken vijand in Pharao Necho, den koning van Egypte, die de veroveringsplannen van zijn vader Psammétichus met onverdroten ijver voortzette en zich ook van het Babylonische Syrië tot aan den Euphrat wilde meester maken. Josia, wiens rijk door Egypte en Babylonië begrensd werd, koos wegens eene ons niet nader bekende oorzaak partij voor het laatste land. Hij trachtte daarom, door het bezetten van het dal Jizre'eel, Necho den tocht naar den Euphrat af te snijden. Ofschoon deze hem de plechtige verzekering
Mon. Gesch.I, 11