152
HOOFDSTUK XC.
Menassé. - Am on. — Josia.Menassi, die op twaalfjarigen leeftijd zijn vader opvolgde, vernielde zeer spoedig wat deze opgebouwd had. Hij herschiep Juda als het ware in korten tijd in een heidensch land. Het wemelde van afgoden; de planeten-vereering en de vuurdienst werden er algemeen; toovenaars, waarzeggers en doodenbezweerders bevorderden alom het bijgeloof. De ontaarde vorst bezoedelde den tempel door er een afgodsbeeld in te plaatsen en besmette Jeruzalem »door onschuldig bloed te vergieten”. Met angst en vrees zagen de Godvruchtigen Juda's toekomst te gemoet. Zou niet het rijk door zijne zedelijke verslapping weldra te gronde gaan ? Zou het niet eindelijk bezwijken voor de Assyrïcrs, wier macht onder het bestuur van Sanchiribs zoon en opvolger Esar-Chaddon op ontzagwekkende wijze begon toe te nemen? De afvallige en goddelooze vorst bekommerde zich daarom volstrekt niet, evenmin als om de ernstige strafbedreigingen van den profeet Chabakkuk, die volgens de traditie in dien tijd leefde. Een zwaar strafgericht alleen was in staat, hem tot betere gedachten op te wekken. Hij werd door Assy-rische troepen overvallen, die hem, in ketenen geklonken, naar Babel voerden, waar men hem in de gevangenis zette. Binnen de kerkermuren ontwaakte eindelijk zijn geweten, door vele misdaden bezwaard; daar traden de slachtoffers, door zijne handen gevallen, voor zijn geest. Vol berouw smeekte hij God om vergiffenis, door wien het gebed van den boeteling niet onverhoord bleef. Hij werd op eene voor ons onbekende wijze uit de gevangenis verlost, besteeg toen weder Juda's troon, dien hij nog verscheiden jaren tot heil voor zijn vaderland bekleedde. Jeruzalem liet hij van de afgoden zuiveren, den tempel weder inrichten voor den gewijden dienst, de vestingen herstellen en van eene voldoende troepenmacht voorzien, kortom hij regeerde tot zijn dood als een vroom en deugdzaam vorst. Zijn zoon Amon, die hem in de regeering opvolgde, bezoedelde zijn tweejarig bestuur door schandelijke afgoderij en beeldendienst. Zijne hovelingen brachten hem om in zijn paleis, maar zij moesten den koningsmoord met het verlies van hun leven boeten. Thans beklom Josia, de zoon van Amon, op achtjarigen leeftijd den troon.
Deze vorst, wiens opvoeding en ontwikkeling waarschijnlijk aan vrome priesters en profeten was toevertrouwd geweest, gaf reeds jong blijken van een vroom en godsdienstig gemoed. In zijn twaalfde regeeringsjaar aanvaardde hij de moeielijke,